ECLI:NL:PHR:2000:AA8729
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aansprakelijkheid olieleverancier voor bodemverontreiniging door lekkende olietank
In deze zaak gaat het om de aansprakelijkheid van een olieleverancier voor bodemverontreiniging veroorzaakt door een lekkende olietank onder een flatgebouw. De olietank was in 1988 gevuld en lekte circa 9.500 liter olie in de bodem. De Staat vorderde vergoeding van de kosten voor onderzoek en sanering op grond van de Wet bodembescherming (Wbb).
De rechtbank en het hof wezen de vordering af, waarbij het hof oordeelde dat de Wbb zich niet richt tot de leverancier van olie, maar tot de eigenaar of gebruiker van de olietank. De Staat stelde in cassatie dat ook art. 13 Wbb Pro en een richtlijn voor ondergrondse opslag (CPR 9-1) een veiligheidsnorm bevatten die op de leverancier van toepassing is.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door de Wbb niet toe te passen op de leverancier. De Hoge Raad benadrukt dat art. 13 Wbb Pro een algemene zorgvuldigheidsnorm bevat die ook op de leverancier kan zien. De richtlijn CPR 9-1 is echter niet als geschreven norm voor de leverancier te beschouwen. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het hof voor nadere beoordeling of de leverancier een ongeschreven veiligheidsnorm heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld.
De zaak betreft een complexe toetsing van geschreven en ongeschreven normen omtrent milieuaansprakelijkheid en de reikwijdte van de Wbb. De Hoge Raad benadrukt het belang van de stand van wetenschap en techniek ten tijde van de feiten bij de beoordeling van de zorgvuldigheidsnorm. De veroordeling van de leverancier in de kosten wordt gehandhaafd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van de aansprakelijkheid van de olieleverancier.