ECLI:NL:PHR:2000:AA7995
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Interpretatie non-discriminatiebepaling in belastingverdrag Nederland-Canada inzake kapitaalsbelasting
X BV, opgericht door een Canadese moedermaatschappij, deed een beroep op vrijstelling van kapitaalsbelasting op grond van artikel 37 Wet Pro BvR en artikel 24, lid 3, van het belastingverdrag tussen Nederland en Canada. De inspecteur weigerde de vrijstelling en legde een naheffingsaanslag op. Het geschil betrof de vraag of de non-discriminatiebepaling van het verdrag ook van toepassing is op kapitaalsbelasting, die niet als belasting naar het inkomen wordt beschouwd.
Het Hof ’s-Hertogenbosch stelde X BV in het gelijk en oordeelde dat artikel 24, lid 3, van het verdrag ook op kapitaalsbelasting ziet. De staatssecretaris betwistte dit en stelde dat de bepaling beperkt is tot belastingen naar het inkomen, conform artikel 2 van Pro het verdrag. De Hoge Raad overwoog dat de tekst van artikel 24, lid 3, in alle authentieke talen duidelijk spreekt over "enige belastingheffing" en dat een restrictieve uitleg niet past bij het doel en de strekking van de non-discriminatiebepaling.
De Hoge Raad benadrukte dat het ontbreken van een bepaling zoals lid 6 van het OESO-modelverdrag niet betekent dat de non-discriminatiebepaling niet op kapitaalsbelasting ziet. De uitleg moet uitgaan van de letterlijke tekst en het doel van het verdrag. Ook een retaliatoire interpretatie zoals voorgesteld door de staatssecretaris wordt verworpen. De conclusie is dat de vrijstelling van kapitaalsbelasting niet mag worden onthouden aan een Nederlandse dochter van een Canadese moedermaatschappij.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag ook ziet op kapitaalsbelasting en wijst het beroep van de staatssecretaris af.