ECLI:NL:PHR:2000:AA7512
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vergoeding bij onteigening en keuze tussen koop- of huurwoning
In deze zaak staat centraal de schadeloosstelling aan onteigenden die hun eigendom verliezen door onteigening. De gemeente 's-Gravenhage onteigende twee appartementsrechten van [verweerder 1] en [verweerster 2], waaronder een eigen woning. De kern van het geschil betreft de vraag of de vergoeding moet worden gebaseerd op vervangende koop- of huurwoonruimte.
De rechtbank stelde dat de onteigenden redelijkerwijs een vervangende koopwoning moeten aanschaffen en kende vergoeding toe op basis van koopprijs en bijkomende kosten, waaronder een onrendabele top voor de bedrijfsruimte. De gemeente betwistte dit oordeel en stelde dat de vergoeding op basis van huurwoning nihil zou zijn.
De Hoge Raad overweegt dat de schadeloosstelling de onteigde in staat moet stellen een gelijkwaardig woongenot te verkrijgen, waarbij objectieve en zakelijke maatstaven gelden. De keuze tussen koop of huur dient te worden gemaakt op basis van beschikbaarheid en kosten, waarbij koop in beginsel uitgangspunt is tenzij huur gelijkwaardig woongenot biedt en goedkoper is. De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom koop de voorkeur zou hebben. Ook de vaststelling van de onrendabele top is een feitelijke beoordeling die niet onbegrijpelijk is.
De Hoge Raad concludeert dat het beroep van de gemeente moet worden verworpen, maar dat de zaak mogelijk voor nader feitenonderzoek moet worden verwezen als huurwoning gelijkwaardig woongenot kan bieden en goedkoper is. De uitspraak benadrukt het belang van een objectieve en zakelijke benadering bij schadeloosstelling na onteigening.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep van de gemeente en bevestigt dat de schadeloosstelling in beginsel gebaseerd moet zijn op vervangende koopwoning, tenzij huur gelijkwaardig woongenot biedt en goedkoper is.