ECLI:NL:PHR:2000:AA6230
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inzagerecht en belangenafweging bij weigering inzage correspondentie tipgever
De zaak betreft een verzoeker die tweemaal gefinancierde rechtsbijstand aanvroeg bij de Raad voor Rechtsbijstand (RRb), welke werd geweigerd op basis van informatie van een derde, een tipgever. Verzoeker vroeg inzage in de correspondentie van deze derde, maar de RRb weigerde dit vanwege vertrouwelijkheid.
De rechtbank wees het verzoek tot inzage af, stellende dat verzoeker al alle relevante gegevens had ontvangen en dat de Wet persoonsregistraties (WPR) slechts recht geeft op een overzicht van persoonsgegevens, niet op inzage in dossiers. Het hof bevestigde dit oordeel en voegde toe dat het belang van verzoeker om laster tegen de tipgever aan te vechten niet onder de bescherming van de WPR valt. Subsidiair oordeelde het hof dat de RRb de inzage terecht mocht weigeren op grond van art. 30 WPR Pro vanwege de belangen van de tipgever en de RRb.
In cassatie werd betoogd dat het belang van verzoeker bij inzage groter is, onder meer om rechtsbijstand te verkrijgen en tegen de tipgever op te treden. De Hoge Raad stelt dat het belang van verzoeker weliswaar gegeven is, maar dat de belangenafweging tussen verzoeker en de tipgever aan de feitenrechter toekomt. De weigering inzake de correspondentie is volgens de Hoge Raad gegrond, mede gezien de bescherming van persoonlijke levenssfeer en het ontbreken van een absolute weigeringsgrond.
De conclusie is dat het cassatieberoep wordt verworpen en de weigering van inzage in de correspondentie van de tipgever rechtmatig is, waarbij de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de weigering van inzage in de correspondentie van de tipgever is rechtmatig.