ECLI:NL:HR:2000:AA6230

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/143HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • W.H. Heemskerk
  • J.B. Fleers
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WPRArt. 29 WPRArt. 30 WPRArt. 34 WPRArt. 29 Wet persoonsregistraties
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering inzage in vertrouwelijke correspondentie bij verzoek om rechtsbijstand

Verzoeker heeft tweemaal een verzoek ingediend voor gefinancierde rechtsbijstand bij de Raad voor Rechtsbijstand, welke geweigerd werd op basis van informatie van een derde. Verzoeker vroeg daarop inzage in het dossier, met name in de correspondentie van die derde. De Raad verstrekte een uitdraai van geregistreerde gegevens en kopieën van bankafschriften, maar weigerde inzage in de vertrouwelijke correspondentie.

De rechtbank wees het verzoek tot inzage af en het hof bekrachtigde deze beslissing. Het hof overwoog dat de correspondentie van de derde niet valt onder de Wet persoonsregistraties en dat het belang van verzoeker om inzage voor een aangifte van laster geen beschermd belang is onder deze wet. Tevens woog het hof het belang van de Raad en de derde bij vertrouwelijkheid zwaarder dan het belang van verzoeker.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van verzoeker. Het hof had geen onjuiste rechtsopvatting gegeven door te oordelen dat de informatie als relevant voor de Raad moest worden beschouwd, ook als die mogelijk onjuist was. Bovendien biedt de wet de rechter niet de mogelijkheid de stukken alleen in beslotenheid te bekijken. De belangenafweging van het hof was niet onjuist en het oordeel over feitelijke waarderingen is niet toetsbaar in cassatie.

De Hoge Raad veroordeelde verzoeker in de kosten van het geding en verwierp het beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Raad voor Rechtsbijstand terecht inzage in vertrouwelijke correspondentie van derden heeft geweigerd.

Uitspraak

16 juni 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/143HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
DE RAAD VOOR RECHTSBIJSTAND,
gevestigd te Leeuwarden,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. A.R. Sturhoofd.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 3 oktober 1998 gedateerd verzoekschrift ex art. 34 jo Pro. art. 29 Wet Pro persoonsregistraties heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot de Rechtbank te Leeuwarden en verzocht verweerder in cassatie - verder te noemen: de Raad voor Rechtsbijstand - te bevelen aan [verzoeker] inzage te verlenen in dossiers die op [verzoeker] betrekking hebben.
De Raad voor Rechtsbijstand heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 7 december 1998 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij beschikking van 9 juni 1999 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd en [verzoeker] veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Raad voor Rechtsbijstand heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verzoeker] heeft zich tweemaal gewend tot de Raad voor Rechtsbijstand met een verzoek om gefinancierde rechtsbijstand. Ingevolge de Wet op de rechtsbijstand komt een dergelijk verzoek alleen voor toewijzing in aanmerking indien de verzoeker voldoet aan bepaalde vereisten met betrekking tot zijn inkomen en vermogen.
(ii) De Raad voor Rechtsbijstand heeft de verzochte gefinancierde rechtsbijstand geweigerd, bij welke weigering gebruik is gemaakt van informatie die de Raad voor Rechtsbijstand van een derde verkregen heeft.
(iii) [Verzoeker] heeft de Raad voor Rechtsbijstand inzage verzocht in het dossier en in het bijzonder in de correspondentie van deze derde.
(iv) De Raad voor Rechtsbijstand heeft [verzoeker] een uitdraai verschaft van de van hem geregistreerde gegevens en hem inzage in zijn dossier aangeboden, en hem een copie verstrekt van de verkregen bankafschriften en gegevens over de eigendom van een huis. De Raad voor Rechtsbijstand heeft echter geweigerd de brief/brieven van de informant zelf ter inzage te geven vanwege het vertrouwelijke karakter daarvan.
3.2 [Verzoeker] heeft vervolgens de Rechtbank op de voet van art. 34 Wet Pro persoonsregistraties (WPR) verzocht de Raad voor Rechtsbijstand te bevelen hem inzage te verlenen in dossiers die op hem betrekking hebben.
De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. Het Hof heeft daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen.
Het geschil tussen partijen betreft de weigering van de Raad voor Rechtsbijstand om [verzoeker] met toepassing van de WPR inzage te geven in c.q. te laten kennisnemen van de door een derde met de Raad voor Rechtsbijstand gevoerde correspondentie betreffende de finan- ciële omstandigheden van [verzoeker]. De volledige door de derde gevoerde correspondentie valt echter niet onder het bereik van de WPR, gezien de in art. 1 WPR Pro aan diverse begrippen gegeven betekenissen en gelet op het bepaalde in art. 29 WPR Pro dat slechts een overzicht van de geregistreerde persoonsgegevens met inlichtingen over de herkomst aan een verzoeker dient te worden verstrekt (rov. 5). Het door [verzoeker] aangegeven belang, namelijk dat hij de correspondentie nodig heeft voor aangifte van laster, is voorts geen door de WPR rechtens beschermd belang (rov. 6). Voor het geval over het in rov. 5 en 6 overwogene anders geoordeeld dient te worden, overwoog het Hof voorts nog in rov. 7:
"De Raad heeft belang bij het verkrijgen van voor zijn werkzaamheden relevante informatie via derden. Deze derden, en daarmee ook de Raad, zullen er veelal belang bij hebben dat door hen verstrekte informatie vertrouwelijk wordt behandeld.
Tegenover genoemde belangen van de Raad en de derden staan de belangen van [verzoeker].
[Verzoeker] heeft weliswaar geen inzage verkregen in de onderhavige correspondentie, maar is wel geïnformeerd over de, in het kader van de uitvoering van de taken van de Raad, door de informant verstrekte relevante gegevens. Dat brengt het hof tot het oordeel dat genoemde belangen van de Raad en de derden in de gegeven omstandigheden zwaarder dienen te wegen dan die van [verzoeker]. De Raad heeft derhalve, op grond van het gestelde in art. 30 aanhef Pro en onder e van de Wet, [verzoeker] terecht de kennisneming van bedoelde correspondentie kunnen weigeren."
3.3 Tegen het in rov. 7 overwogene, dat ’s Hofs beslissing zelfstandig kan dragen, keert middel II zich met een aantal rechtsklachten. Deze klachten zijn tevergeefs voorgesteld.
Anders dan het middel betoogt, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat informatie betreffende de financiële omstandigheden van [verzoeker] als voor de werkzaamheden van de Raad voor Rechtsbijstand relevante informatie moet worden beschouwd, ook - naar inderdaad in ’s Hofs oordeel besloten ligt - indien die informatie bij nader onderzoek niet juist mocht blijken te zijn. Hierbij verdient aantekening dat de wet de ingevolge art. 34 WPR Pro bevoegde rechter niet de mogelijkheid biedt om zich de betreffende stukken te doen overleggen onder bepaling dat uitsluitend de rechter daarvan kennis neemt.
Ook de klacht dat het Hof ten onrechte het belang van [verzoeker] niet zwaarder heeft doen wegen, kan niet slagen. Het Hof heeft bij de afweging van het belang van [verzoeker] tegen de overige betrokken belangen niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. ’s Hofs oordeel kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet op juistheid worden getoetst.
3.4 Het falen van middel II brengt mee dat het beroep moet worden verworpen. Middel I behoeft derhalve geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassa-tie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Raad voor Rechtsbijstand begroot op ƒ 50,-- aan verschotten en ƒ 2.500,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 16 juni 2000.