ECLI:NL:PHR:2000:AA5406
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontheffing van het ouderlijk gezag wegens ongeschiktheid moeder en belang van het kind
De zaak betreft een verzoek tot ontheffing van het ouderlijk gezag over een minderjarige zoon, wiens moeder een verstandelijke handicap heeft en psychiatrische hulp ontvangt. De zoon is sinds 1995 uit huis geplaatst en verblijft sindsdien in een pleeggezin. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht ontheffing van het gezag omdat de perspectieven voor terugplaatsing bij de moeder niet waren verbeterd.
De rechtbank wees het verzoek af, maar het hof vernietigde deze beslissing en besloot tot ontheffing van het gezag, waarbij de stichting tot voogd werd benoemd. Het hof baseerde dit op het ontbreken van een duurzaam perspectief voor de moeder om voor haar zoon te zorgen, mede gelet op haar psychiatrische toestand, het feit dat de omgangsregeling onder toezicht plaatsvindt en de spanning die dit veroorzaakt.
De moeder stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelde dat hoewel ouders die hun kind in een pleeggezin laten opgroeien in principe niet ontheven kunnen worden, dit anders is als hun instemming wankel is en onvoldoende garanties biedt voor voortzetting van het verblijf. Het hof had voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om dit oordeel te ondersteunen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontheffing van het gezag in het belang van het kind.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag in het belang van het kind.