ECLI:NL:PHR:2000:AA4123
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepasselijk recht op retentierecht bij internationale overeenkomst en goederen in Engeland
In deze zaak staat de vraag centraal welk recht volgens het Nederlandse internationaal privaatrecht van toepassing is op het bestaan en de uitoefening van een retentierecht in het kader van een internationale overeenkomst, de Operations Agreement, tussen partijen uit verschillende landen.
De Rechtbank en het Hof hebben geoordeeld dat het Nederlandse recht, als gekozen recht van de overeenkomst, het bestaan en de inhoud van het retentierecht beheerst. De uitoefening van het retentierecht op zaken die zich in Engeland bevinden, wordt echter beheerst door het Engelse recht, als lex rei sitae, of het recht van de insolventieprocedure (lex concursus).
De Hoge Raad bevestigt deze opvatting en wijst erop dat het retentierecht een opschortingsrecht met zakenrechtelijke kenmerken is. Hierdoor valt het buiten het materiële toepassingsgebied van het EV-Verdrag inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst (Rome 1980). Het retentierecht wordt daarom onderworpen aan een aparte verwijzingsregel die onderscheid maakt tussen het ontstaan en de inhoud (gebaseerd op het recht van de overeenkomst) en de geldendmaking (gebaseerd op het recht van de plaats van de zaak) van het retentierecht.
De klachten van de appellant dat het bestaan van het retentierecht ook door het recht van de plaats van de zaak zou moeten worden beheerst, worden verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat het bestaan en de inhoud van het retentierecht beoordeeld moeten worden naar het recht van de onderliggende rechtsverhouding, hier het Nederlandse recht, terwijl de uitoefening wordt getoetst aan het recht van de plaats van de zaak.
Deze uitspraak bevestigt de zogenaamde 'twee momentenleer' in het internationaal privaatrecht voor zakelijke zekerheidsrechten en verduidelijkt de toepasselijkheid van het EV-Verdrag op opschortingsrechten met zakenrechtelijke kenmerken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het retentierecht wordt beheerst door Nederlands recht voor het bestaan en Engels recht voor de uitoefening.