ECLI:NL:HR:2000:AA4123
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- raadsheer Neleman
- raadsheer Heemskerk
- raadsheer De Savornin Lohman
- raadsheer Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid Nederlands recht op retentierecht en opschortingsrecht in internationale overeenkomst
In deze zaak stond centraal of [verweerster] en Edcrest een beroep konden doen op een opschortingsrecht en retentierecht op automobielen en onderdelen van Leyland DAF en DAF Holland, die onder zich waren gehouden in Engeland. De overeenkomst tussen partijen was onderworpen aan Nederlands recht volgens de lex contractus, maar de goederen bevonden zich in Engeland, waardoor ook het lex rei sitae van belang was.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat het retentierecht twee aspecten kent: het verbintenisrechtelijke aspect wordt beheerst door het gekozen recht van de overeenkomst (Nederlands recht), maar het goederenrechtelijke aspect, waaronder de uitoefening van het retentierecht op zaken in Engeland, wordt beheerst door het recht van de plaats van de zaak (Engels recht). De Hoge Raad bevestigde deze splitsing en verwierp het beroep van Leyland DAF c.s.
De Hoge Raad benadrukte dat het retentierecht een bijzonder opschortingsrecht is met goederenrechtelijke kenmerken en daarom buiten het toepassingsgebied van het EVO valt. De vraag of een retentierecht bestaat en wat de inhoud daarvan is, wordt bepaald door het recht dat op de onderliggende rechtsverhouding van toepassing is, maar de uitoefening ervan is beperkt door het recht van de staat waar de zaak zich bevindt. Deze benadering sluit aan bij de opvatting van de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht.
De Hoge Raad veroordeelde Leyland DAF c.s. in de kosten van het cassatiegeding en verwierp het beroep, waarmee de eerdere beslissingen van Rechtbank en Hof werden bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Leyland DAF c.s. wordt verworpen en de eerdere beslissingen worden bekrachtigd.