ECLI:NL:PHR:1999:AA3940
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag loonbelasting wegens niet vastgestelde identiteit buitenlandse werknemers zonder geldige verblijfstitel
Belanghebbende exploiteert een confectie-atelier en kreeg een naheffingsaanslag opgelegd wegens het niet correct vaststellen van de identiteit van zes buitenlandse werknemers zonder geldige verblijfstitel over de periode 1994-1995. De Inspecteur stelde dat de werkgever niet voldeed aan de verificatieplicht zoals voorgeschreven in artikel 28, lid 1, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964.
De zaak draait om de uitleg van de identificatie- en verificatieplicht van werkgevers ten aanzien van buitenlandse werknemers, waarbij de Hoge Raad oordeelt dat de werkgever de identiteit aan de hand van een geldig document moest vaststellen waaruit ook de verblijfsrechtelijke positie blijkt. Het enkele bezit van een paspoort volstaat niet zonder geldige verblijfstitel.
De Hoge Raad wijst ook bezwaren van belanghebbende af, waaronder het beroep op het non-discriminatiebeginsel en het argument dat de werkgever mocht vertrouwen op het Sofi-nummer van de werknemers. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd met toepassing van het anoniementarief van 60% loonbelasting. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de naheffingsaanslag met toepassing van het 60%-anoniementarief loonbelasting wegens niet vastgestelde identiteit van buitenlandse werknemers zonder geldige verblijfstitel.