ECLI:NL:PHR:1999:AA2791
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt renteaftrek bij fiscale eenheid ondanks compensabele verliezen
In deze zaak stond centraal of de rente ten laste van de winst van de moedermaatschappij binnen een fiscale eenheid in aanmerking genomen kon worden, terwijl de rente werd verrekend met compensabele verliezen van een dochtermaatschappij die vóór de aandelenverwerving waren geleden.
De belanghebbende had in 1982 aandelen verworven in een dochtermaatschappij die aanzienlijke verliezen had geleden. Deze dochtermaatschappij zette haar activiteiten voort tot 1986, waarna de onderneming werd gestaakt. In 1986 werd een fiscale eenheid gevormd en werden activiteiten ingebracht in dochtermaatschappijen. Vervolgens werden agiobedragen omgezet in schulden en werd rente verschuldigd die fiscaal in aanmerking werd genomen.
Het hof oordeelde dat de renteaftrek niet in strijd was met de wet, omdat de rente bij de schuldeiser tot winst werd gerekend, ook al werd deze winst gecompenseerd met verliezen. De staatssecretaris stelde cassatieberoep in, stellende dat de constructie was bedoeld om belastingheffing te verijdelen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en overwoog dat het voortzetten van de onderneming na aandelenverwerving en het ontbreken van een directe samenhang tussen aandelenverwerving en staking van de onderneming de renteaftrek niet in strijd met doel en strekking van de wet brengt. De Hoge Raad nuanceerde eerdere jurisprudentie en benadrukte dat de renteaftrek niet mag leiden tot misbruik, maar dat in deze situatie geen sprake was van zodanig misbruik.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de renteaftrek binnen de fiscale eenheid werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de renteaftrek binnen de fiscale eenheid ondanks compensabele verliezen.