ECLI:NL:PHR:1999:AA2772
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt fiscale waardering vakantiegeld en vakantiebonnen volgens loonbelastingregels
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake de fiscale behandeling van vakantiegeld en vakantiebonnen in de loonbelasting 1964. Belanghebbende stelde dat vakantiegeld op dezelfde wijze belast moet worden als vakantiebonnen, namelijk slechts voor 75% van de nominale waarde. Het hof verwierp dit standpunt en bevestigde de lagere waardering van vakantiebonnen.
De Hoge Raad bevestigt dat vakantiegeld, bestaande uit vakantieloon en vakantietoeslag, geen aanspraak vormt in de zin van de loonbelasting en derhalve volledig als loon in geld belast wordt. Vakantiebonnen en het zogenaamde rechtenbeheersysteem kwalificeren wel als aanspraken, waardoor een lagere waardering gerechtvaardigd is. Dit volgt uit vaste jurisprudentie en wetshistorie.
Daarnaast is het non-discriminatiebeginsel uit het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) aan de orde. De Hoge Raad oordeelt dat er sprake is van ongelijke gevallen en dat de ongelijke fiscale behandeling niet leidt tot een onredelijke en objectief niet te rechtvaardigen discriminatie. De lagere waardering van vakantiebonnen is het resultaat van een maatschappelijk draagvlak en een package-deal tussen regering en sociale partners, gericht op het voorkomen van grote inkomenseffecten en loonkostenverschillen.
De Hoge Raad wijst er verder op dat het opheffen van deze ongelijkheid in fasen plaatsvindt en dat het aan de wetgever is om rechtsherstel te bieden indien discriminatie zou worden vastgesteld. De cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; vakantiegeld is volledig belastbaar loon en vakantiebonnen worden lager gewaardeerd.