ECLI:NL:PHR:1999:AA2632
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de lifo-regel bij fusie van aandelen in inkomstenbelasting
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag over de verkrijgingsprijs van aandelen na een fusie in het kader van de inkomstenbelasting 1987. De erflater had aandelen in meerdere BV's ingebracht in een nieuw opgerichte BV, waarna een deel van de nieuwe aandelen werd verkocht. Het geschil betrof de vraag of de lifo-regel, die bij vervreemding van aandelen geldt, ook na een fusie toegepast moet worden.
De Inspecteur stelde de verkrijgingsprijs van de nieuwe aandelen vast op het gemiddelde van de verkrijgingsprijzen van de ingebracht aandelen, terwijl de belanghebbenden de lifo-regel wilden toepassen om de verkoopprijs aan specifieke aandelen toe te rekenen. Het hof koos voor de standpunt van de Inspecteur.
De Procureur-Generaal concludeert dat de lifo-regel niet van toepassing is na een fusie, omdat de wetgever dit zo heeft bedoeld en de regel vooral onzekerheid moest wegnemen bij vervreemding van onderling vervangbare aandelen, niet bij fusies. De fusievrijstelling heeft een beperkte strekking en het toepassen van de lifo-regel na fusie leidt tot willekeurige en ongewenste fiscale gevolgen.
De conclusie luidt dat het cassatieberoep moet worden verworpen en dat de verkrijgingsprijs van de fusieaandelen moet worden gesteld op het gemiddelde van de verkrijgingsprijzen van de ingebracht aandelen, conform het hofarrest.
Uitkomst: De verkrijgingsprijs van fusieaandelen wordt gesteld op het gemiddelde van de ingebracht aandelen; de lifo-regel is niet van toepassing na fusie.