ECLI:NL:HR:1999:AA2632
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verkrijgingsprijs aandelen bij aandelenfusie voor inkomstenbelasting
In deze zaak stond centraal de fiscale behandeling van de verkrijgingsprijs van aandelen die bij een aandelenfusie zijn verkregen. De erflater had in 1986 aandelen ingebracht in J B.V. en in 1987 een deel van deze aandelen verkocht. De Inspecteur had de winst uit aanmerkelijk belang bij de verkoop in het belastbare inkomen betrokken.
Het geschil betrof de vraag of de verkrijgingsprijs van de nieuw verkregen aandelen afzonderlijk per aandeel moest worden vastgesteld op basis van de historische verkrijgingsprijs van elk ingebracht aandeel met toepassing van de liforegel uit het Uitvoeringsbesluit, of dat de verkrijgingsprijs moest worden gesteld op een gemiddelde verkrijgingsprijs van alle ingebrachte aandelen.
Het Hof oordeelde dat bij de fusie geen individuele ruil van aandelen plaatsvond, maar een gezamenlijke ruil op één moment, waardoor de nieuw verkregen aandelen slechts een gezamenlijke verkrijgingsprijs hebben die moet worden verdeeld over de aandelen. De liforegel uit het Uitvoeringsbesluit werkt na de fusie niet door. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees op de ontstaansgeschiedenis van artikel 40 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waaruit blijkt dat de wetgever bedoelde dat de verkrijgingsprijs van de bij de fusie verkregen aandelen een evenredig deel is van de verkrijgingsprijs van de vervreemde aandelen. De middelen van cassatie werden verworpen.
De Hoge Raad wees proceskosten af en stelde het arrest op 3 februari 1999 in het openbaar vast.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verkrijgingsprijs van de bij de fusie verkregen aandelen wordt vastgesteld op een gemiddelde verkrijgingsprijs.