Conclusie
onderdeel 1het standpunt dat in het bestreden arrest is teruggekomen op een bindende eindbeslissing. De maatschap meent dat het hof geen omstandigheden heeft vastgesteld die zulks rechtvaardigen. Daarnaast voert zij aan (
onderdeel 2) dat het hof in het geheel niet kon terugkomen op zijn beslissing van 21 november 1996 zolang niet was gebleken dat deze beslissing onjuist was.
onderdeel 3voert de maatschap nog aan dat de fout van de rolwaarneemster niet werd begaan bij de uitvoering van door het hof aan haar overgelaten werkzaamheden, doch bij de uitoefening van haar normale taak van het in ontvangst nemen en verwerken van stukken van haar opdrachtgevers. Ik meen dat deze klacht een miskenning inhoudt van 's hofs gedachtengang. Zoals eerder uiteengezet moet in de visie van het hof de indiening van stukken bij de rolwaarneemster op één lijn worden gesteld bij indiening bij het hof zelf (r.o. 2.6):