ECLI:NL:PHR:1998:AA2572
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waardebepaling onroerende zaak en waardedrukkende werking van kettingbeding in appartementsrecht
De zaak betreft een geschil tussen de gemeente Rotterdam en een belanghebbende over de waardebepaling van een appartementsrecht belast met Maatschappelijk Gebonden Eigendom (MGE)-bepalingen en een kettingbeding. De gemeente had voor 1994 een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd op basis van een hogere waarde dan de belanghebbende aannam, vanwege de waardedrukkende werking van de MGE-bepalingen.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de juridische aard van kettingbedingen en hun invloed op de waarde in het economische verkeer. Uit jurisprudentie blijkt dat kettingbedingen niet automatisch als waardedrukkend moeten worden beschouwd; het effect moet per geval worden onderzocht. De MGE-bepalingen maken deel uit van de erfpachtsvoorwaarden en het appartementsrecht, en kunnen waardedrukkend zijn indien zij het woongenot beperken.
De Hoge Raad benadrukt dat voor de waardebepaling in de OZB het objectieve karakter centraal staat en dat persoonlijke verplichtingen zoals kettingbedingen slechts in bijzondere omstandigheden tot waardedruk leiden. Daarnaast wordt het onderscheid tussen erfpacht en opstalrecht besproken, waarbij het opstalrecht zelfstandige betekenis heeft. Uiteindelijk wordt het arrest van het hof vernietigd en de uitspraak op het bezwaarschrift bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt de uitspraak op het bezwaarschrift, waarbij geen automatische waardedruk door kettingbedingen wordt aangenomen.