Conclusie
ii) Ter uitvoering van deze overeenkomst zijn de aandelen [C] B.V. aan [eiser] en diens broer geleverd. De naam van deze vennootschap is vervolgens gewijzigd in [B] B.V., verder te noemen: [B] . Tussen [B] en [verweerster] is een overeenkomst “d.d. oktober 1987” gesloten “inzake verkoop, levering en betaling van meubelen en woningtextiel”. In deze overeenkomst wordt onder meer bepaald: “Alle door [verweerster] aan [eiser] (lees: [B] ; DVL) geleverde en nog te leveren goederen blijven uitsluitend het eigendom van [verweerster] , totdat alle vorderingen, die [verweerster] op [eiser] heeft of zal krijgen, uit welke hoofde dan ook, volledig betaald zijn.”
iii) [verweerster] heeft in de periode van 1987 tot 1992 in het kader van de samenwerkingsovereenkomst meubels aan [B] geleverd.
iv) Op 2 april 1992 heeft [verweerster] – na daartoe verkregen verlof – onder [B] B.V. beslag tot afgifte gelegd op de meubelvoorraad van [B] en deze zaken onder zich genomen. Op 13 juni 1992 zijn de inbeslaggenomen zaken geveild.
v) Kort daarvoor, op 24 april 1992 was aan [B] surséance van betaling verleend. Later is zij failliet verklaard.
vi) Op 17 juni 1992 heeft [verweerster] – na verkregen verlof – opnieuw onder [B] beslag tot afgifte gelegd op de dan aanwezige meubelvoorraad. De aldus in beslag genomen zaken zijn door de curator verkocht. Omdat zowel [eiser] als [verweerster] B.V. een stil pandrecht op de zaken claimden, is de opbrengst (verminderd met de kosten) door de curator geplaatst op een bankrekening ten behoeve van de partij die daarop uiteindelijk recht zal blijken te hebben.
a) een verklaring voor recht dat hij ultimo 1991 eigenaar tot zekerheid was van “de vermelde, ten processe bedoelde goederen” (de op 13 juni 1992 geveilde alsmede de daarna door de curator verkochte zaken), een vordering die hij in appel wijzigt in dier voege dat hij dan vordert een verklaring voor recht dat hij vanaf 24 maart 1984 fiduciair eigenaar en na 1 januari 1992 van rechtswege stil pandhouder was van de gehele (toekomstige) goederenvoorraad bij [A] B.V. en later bij [B] ;
b) de veroordeling van [verweerster] om terzake de op 13 juni 1992 geveilde goederen aan hem een schadevergoeding te voldoen, een vordering die hij in appel wijzigt in dier voege dat hij vordert een verklaring voor recht dat [verweerster] aansprakelijk is voor alle schade door [eiser] geleden ten gevolge van door [verweerster] in strijd met [eiser] ’s rechten verrichte handelingen;
c) een verklaring voor recht dat van de hiervoor genoemde ten name van beide partijen staande bankrekening aan hem moet worden uitbetaald een bedrag van bijna f 199.000,-- (vermeerderd met rente en onder aftrek van kosten), een vordering die hij in appel wijzigt in dier voege dat hij vordert een verklaring voor recht dat hij gerechtigd is tot het saldo van bedoelde rekening met dien verstande dat dit bedrag in mindering zal strekkende op de schade bedoeld onder b hiervoor.
Het betoog van [eiser] berust in de gehele procedure in wezen op drie stellingen, te weten a) dat [verweerster] medio 1992 geen zekerheidsrecht (meer) had op de litigieuze meubelvoorraad, b) dat hijzelf een ouder zekerheidsrecht heeft dat prevaleert boven dat van [verweerster] en c) dat ook zaken zijn geveild c.q. verkocht die door andere leveranciers waren geleverd zodat reeds daarom van een eigendomsvoorbehoud van [verweerster] geen sprake kon zijn. Met betrekking tot het door hemzelf geclaimde zekerheidsrecht beroept [eiser] zich met name op een geregistreerde “akte van cassatie van goederenvoorraad” d.d. 24 maart 1984 waarbij [A] haar goederenvoorraad in eigendom tot zekerheid heeft overgedragen; hij betoogt dat [B] per 1 oktober 1987 de goederenvoorraad met de zekerheidsstellingen van [A] heeft overgenomen en verbindt daaraan de conclusie dat de zekerheidsstellingen uit de akte van 24 maart 1984 ook in de relatie tussen [eiser] en [B] gold. Met betrekking tot het door [verweerster] geclaimde eigendomsvoorbehoud betoogt [eiser] primair dat [verweerster] geen eigendomsvoorbehoud toekomt omdat hij nooit eigenaar is geweest van de meubelvoorraad van [B] , aangezien deze laatste de bestellingen rechtstreeks bij de fabrikant plaatste en de bestelde goederen ook buiten [verweerster] om bij [B] werden afgeleverd. Subsidiair stelt hij dat het bedongen “verlengde” eigendomsvoorbehoud is komen te vervallen op grond van het bepaalde bij art. 2 van Pro de nadere “overeenkomst inzake betaling, vergoeding en zekerheden”, op 30 juni 1989 gesloten tussen [verweerster] en [B] . Verder betoogt hij dat het eigendomsvoorbehoud is komen te vervallen omdat de schuld in rekening-courant van [B] aan [verweerster] op enig moment nihil heeft bedragen.
[verweerster] voert gemotiveerd verweer; stellende dat zij wel degelijk een zekerheidsrecht heeft verkregen betoogt zij primair dat [eiser] geen zekerheidsrecht op de meubelvoorraad van [B] heeft verkregen en subsidiair dat haar zekerheidsrecht prevaleert omdat het ouder is. In reconventie vordert zij een verklaring voor recht dat zij jegens [eiser] rechthebbende is op het saldo van de door de curator ten behoeve van de rechthebbende geopende bankrekening.
Het Hof concludeert dat in rechte ervan moet worden uitgegaan dat [verweerster] per 14 april 1987 ten aanzien van door haar geleverde meubels een rechtsgeldig eigendomsvoorbehoud heeft gemaakt voor al haar vorderingen op [B] en dat dit zekerheid per 1 januari 1992 – zoals ook de Rechtbank overwoog – is geconverteerd in een stil pandrecht. De stelling dat [verweerster] nooit eigenaar is geworden van de meubelvoorraad wordt verworpen met de overweging dat moet worden aangenomen dat [verweerster] de meubels verkocht en leverde mede gezien de strekking van de samenwerkingsovereenkomst en de wijze waarop aan deze overeenkomst uitvoering werd gegeven. De stelling dat het door [verweerster] bij overeenkomsten van april en oktober 1987 bedongen (verlengde) eigendomsvoorbehoud is komen te vervallen op grond van het bepaalde van art. 2 van Pro de overeenkomst inzake betaling, vergoeding en zekerheden d.d. 30 juni 1989 wordt verworpen met de overweging dat bedoeld artikel uitdrukkelijk bepaalt dat bedoeld eigendomsvoorbehoud onverkort van kracht blijft. Met een beroep op het rechtskarakter van het verlengde eigendomsvoorbehoud wordt verworpen de stelling dat het zekerheidsrecht op voordien geleverde goederen is komen te vervallen op het moment waarop de schuld in rekening-courant van [B] op enig moment nihil heeft bedragen terwijl de samenwerking voortduurde.
Vervolgens wordt verworpen de stelling van [eiser] dat hem door [B] een ouder zekerheidsrecht op de door [verweerster] onder eigendomsvoorbehoud geleverd meubels is verschaft. In dat verband wordt beslissend geacht of ten behoeve van [eiser] een zekerheidsrecht is gevestigd voordat [verweerster] – in 1987 – haar eigendomsvoorbehoud bedong. Geoordeeld wordt vervolgens dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord: aan de “acte van cessie van goederenvoorraad” d.d. 24 maart 1984 waarin [A] te Gouda verklaart haar goederenvoorraad in zekerheid te “cederen” kan [eiser] naar ’s Hofs oordeel gen rechten ontlenen omdat hij die akte niet heeft getekend als crediteur en de “cessie” door hem ook niet is aangenomen, nog daargelaten in hoeverre goederen van die vennootschap in 1992 al deel uitmaakten van de meubelvoorraad van [B] . De akte van geldlening van 12 juni 1986 volgens welke [eiser] aan [A] Gouda geld te lenen heeft verstrekt kan [eiser] al evenmin baten, gezien de daarin gebruikte bewoordingen, aldus het Hof. Voor het overige verwijst het Hof naar de rechtsoverwegingen van de Rechtbank, die zoals gezegd als onvoldoende gemotiveerd verwierp de stelling van [eiser] dat zich onder de door [verweerster] geveilde en door de curator verkochte zaken ook niet door [verweerster] geleverde zaken bevonden.
’s Hofs arrest is niet verdeeld in alinea’s die van een nummering zijn voorzien; de steller van het middel heeft ter vereenvoudiging van d verwijzing naar de aangevallen overwegingen zelf een onderverdeling en nummering aangebracht; een exemplaar van het aldus “bewerkte” arrest is aan de schriftelijke toelichting gehecht.
Geklaagd wordt – kort gezegd – dat het Hof met name gezien het debat van partijen in appel zonder nadere motivering niet kon oordelen dat vaststaat dat de samenwerkingsovereenkomst erop was gericht dat [verweerster] aan [eiser] zou leveren en evenmin dat vaststaat dat de fabrikant [verweerster] als wederpartij beschouwde, althans dat onbegrijpelijk is ’s Hofs oordeel dat de samenwerkingsovereenkomst bedoelde strekking had en dat de fabrikanten [verweerster] als wederpartij beschouwden omdat niet valt in te zien hoe het Hof uit de wijze van bestellen en/of “het verloop van het betalingsverkeer” kon afleiden dat de levering moet zijn geschied aan [verweerster] en vervolgens aan [B] .
’s Hofs oordeel komt mij bepaald niet onbegrijpelijk voor; nadere motivering behoefde het mijns inziens niet, ook niet in het licht van de door [eiser] naar voren gebrachte stellingen. Daarop stuiten de in middelonderdeel II vervatte klachten af, waarbij opmerking verdient dat klacht 2.6 feitelijke grondslag mist.
Het naar oud recht door [verweerster] bedongen eigendomsvoorbehoud is – voor zover het eigendomsvoorbehoud strekt tot zekerheid van voldoening van andere vorderingen dan genoemd in art.. 3:92 lid 2 eerste zin – per 1 januari 1992 op grond van art. 89 Overgangswet Pro van rechtswege omgezet in een “stil pandrecht” (een pandrecht overeenkomstig art. 3:237 BW Pro), althans voor zover het gaat om zaken die reeds voor 1 januari 1992 zijn geleverd en waarvan de eigendom derhalve reeds was voorbehouden; nadien geleverde meubels zijn onder voorbehoud van bezitloos pandrecht door [verweerster] geleverd omdat per genoemde datum de op grond van het eigendomsvoorbehoud bestaande verbintenis tot levering onder eigendomsvoorbehoud is omgezet in een verbintenis tot levering onder voorbehoud van pandrecht. (Ik weid over deze problematiek niet verder uit nu in cassatie niet is bestreden dat van rechtswege omzetting in een stil pandrecht heeft plaatsgevonden indien – kort gezegd – de eigendom rechtsgeldig was voorbehouden.)
Nu moet worden uitgegaan van de hiervoor weergegeven premissen, is irrelevant of aan [eiser] bij voorbaat fiduciair de gehele meubelvoorraad is overgedragen voordat [verweerster] in 1987 zich de eigendom voorbehield. Met betrekking tot de vóór 1 januari 1992 geleverde meubels geldt dan immers dat art. 592 (oud) BW eraan in de weg staat dat [eiser] fiduciair eigenaar van die zaken is geworden (zodat voor [eiser] van een omzetting in een bezitloos pandrecht geen sprake kan zijn), terwijl voor de nadien onder voorbehoud van pandrecht geleverde zaken geldt dat de artt. 3:97-98 juncto 3:84 en art. 3:238 eraan Pro in de weg staan dat [eiser] een bezitloos pandrecht verkrijgt met een hogere rang dan het bezitloze pandrecht van [verweerster] . Zie Mon. Nieuw BW B-6c (Reehuis), 1998, nr. 60; Asser-Mijnssen-Van Velten, 1994, nrs. 91 en 433 e.v.; Brahn, Stille verpanding en eigendomsvoorbehoud volgens het nieuwe Burgerlijk Wetboek, 1991, p. 80 e.v. en 143 e.v.; Brahn, Fiduciaire overdracht, stille verpanding en eigendomsvoorbehoud naar huidig en komend recht, 1988, p. 207 e.v.; Reehuis, Stille verpanding (diss. Groningen 1987), nr. 205 e.v.
Middelonderdeel V bestrijdt met een reeks van klachten ’s Hofs oordeel dat [eiser] geen rechten kan ontlenen aan de “akte van cessie van goederenvoorraad” d.d. 24 maart 1984 waarin [A] te Gouda verklaart haar goederenvoorraad in zekerheid te cederen omdat [eiser] die akte niet heeft getekend als crediteur en de cessie door hem ook niet is aangenomen, nog daargelaten in hoeverre goederen van die vennootschap in 1992 al deel uitmaakten van de meubelvoorraad van [B] .
De tegen deze overweging gerichte klachten falen mijns inziens. Het Hof heeft geoordeeld dat [eiser] aan de “akte van cessie van goederenvoorraad” (lees: overeenkomst van zekerheidsoverdracht) geen rechten kan ontlenen omdat deze akte door hem is ondertekend uitsluitend in zijn hoedanigheid van voorzitter van de aandeelhoudersvergadering van de [A] Gouda en niet in privé en omdat de “cessie” in de akte is aangenomen uitsluitend door twee anderen en niet door [eiser] .
Dit oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor. Daarop strandt naar mijn oordeel middelonderdeel V.
Middelonderdeel VI komt op tegen ’s Hofs oordeel dat [eiser] ook geen rechten kan ontlenen aan de akte van geldlening van 12 juni 1986 volgens welke [eiser] aan [A] Gouda geld te leen heeft verstrekt. In dit middelonderdeel wordt ten dele voortgebouwd op middelonderdeel V terwijl het overigens feitelijke grondslag mist.
Geklaagd wordt dat [eiser] ook in hoger beroep uitdrukkelijk en bij herhaling heeft betoogd dat zich onder de litigieuze zaken ook zaken bevonden (moeten) hebben die niet van [verweerster] afkomstig waren omdat zij ofwel reeds tot de goederenvoorraad van [A] en later [B] behoorden ofwel omdat zij afkomstig waren van fabrikanten of leveranciers met wie [eiser] overeenkomsten sloot buiten [verweerster] en/of de Topformorganisatie om. Geklaagd wordt voorts dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat in een geval als het onderhavige de stelplicht rust op [eiser] en niet op [verweerster] als executerende schuldeiser. Voorts wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan het “specifieke” bewijsaanbod dat [eiser] ter zake heeft gedaan.