ECLI:NL:PHR:1998:39
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vage norm in APV Amsterdam inzake gebruik verdovende middelen in liftportaal
In deze zaak stond de vraag centraal of artikel 54 van Pro de oude Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Amsterdam, dat het gebruik van verdovende middelen in een liftportaal van een parkeergarage verbiedt, verbindend is ondanks de vermeende vage normstelling. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een geldboete wegens overtreding van deze bepaling.
De verdediging voerde aan dat de bepaling in strijd was met het lex certa-beginsel omdat de norm te vaag was en niet duidelijk maakte welke gedragingen strafbaar waren. De Hoge Raad erkende dat het hier om een vage norm ging, maar stelde dat dit niet automatisch tot onverbindendheid leidt. Het hof verwees naar jurisprudentie waarin werd bevestigd dat vage normen in bepaalde gevallen toelaatbaar zijn, zeker wanneer het gaat om gedragingen die lastig concreet te omschrijven zijn.
Daarnaast werd getoetst aan artikel 7 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het recht op privacy zoals neergelegd in artikel 8 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat de norm voldoende concreet is doordat zij zich richt op gedrag in specifieke, omschreven openbare ruimtes en dat de strafbedreiging niet zodanig is dat de vaagheid onaanvaardbaar wordt. Ook werd geoordeeld dat het recht op privacy niet wordt geschonden door de toepassing van artikel 54, aangezien het verbod zich richt op het gebruik van ruimten overeenkomstig hun bestemming en niet op het privéleven van burgers.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de eerdere veroordeling tot een geldboete werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de geldboete wegens overtreding van artikel 54 van de oude APV Amsterdam.