Conclusie
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof het verweer dat een inbeslaggenomen voorwerp, te weten een buigijzer, onrechtmatig is verkregen, nu dit op de voet van art. 96 Sv Pro in beslag is genomen hoewel er geen sprake was van ontdekking op heterdaad, ten onrechte en ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof het ter terechtzitting gedane verzoek bepaalde getuigen te horen ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.
derdemiddel bevat de klacht dat de vaststelling van het hof dat er sprake is van voorwaardelijk opzet onverenigbaar is met de bewezenverklaring van voorbedachten rade, kalm beraad en rustig overleg, omdat het bewijs van voorbedachten rade, kalm beraad en rustig overleg niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
gewenscht, hij heeft den dood van menschen
gewild.’’ (H.J. Smidt, 1891, p. 121).
nietaan
brandstichting, maar aan
moord; al heeft hij den dood niet gewenscht, hij heeft hem eventueel
gewild’’ (Smidt I, 1881, p. 80).
moetzijn geweest. Het opzet wordt geobjectiveerd, onttrokken aan de (al te) particuliere en door de uiterlijke kenmerken van de gedraging niet meer geloofwaardige weergave door de dader van zijn bewustzijnsinhoud. Het aldus ook wel normatief genoemde opzet doet zich doorgaans voor in een vorm waarvan gezegd wordt dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans op (het intreden van een gevolg etc.) aanvaard heeft. In het zogenaamde Porsche-arrest van Uw Raad meen ik evenwel een waarschuwing te lezen tegen het aan verdachten ongebreidelde toedichten van opzet uit objectief gevaarlijk gedrag. De uiterlijke omstandigheden kunnen immers ook juist het tegendeel aantonen. Uw Raad overwoog (15 oktober 1996, NJ 1997, 199, m.nt. ‘tH):
vierdemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte en ontoereikend gemotiveerd heeft beslist dat een processtuk, inhoudende de verklaring van een anonieme getuige, niet aan het dossier behoeft te worden toegevoegd.
vijfdemiddel bevat de klacht dat het hof het verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is omdat het ondervragingsrecht in het geheel niet kon worden uitgeoefend ten aanzien van een anonieme getuige ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, alsmede dat het hof ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd een schriftelijke bescheid in de zin van art. 344 lid 3 Sv Pro inhoudende de verklaring van een persoon wiens anonimiteit niet blijkt.
geheelis ontnomen. De – ambtshalve te stellen – vraag is echter of aan het in art. 6, derde lid, aanhef en sub c van het EVRM gegarandeerde ondervragingsrecht van de verdediging in voldoende mate tegemoet gekomen is. In de al genoemde Doorson-casus was de raadsman bij het verhoor door de rechter-commissaris van de anonieme getuige aanwezig geweest en had hij vragen mogen stellen met uitzondering van die welke tot onthulling van de identiteit van de verdachte zouden kunnen leiden. In de Van Mechelen-casus – een wat uitmiddelpuntige zaak, aangezien het om anonieme politiefunctionarissen ging – oordeelde het EHRM (23 april 1997, NJ 1997, 635) dat iedere maatregel die de rechten van de verdediging beperkt strikt noodzakelijk moet zijn en dat indien zulks mogelijk is, minder vergaande maatregelen moeten worden toegepast. Het Europese hof achtte onvoldoende uitgelegd waarom de vergaande beperkingen (verhoor van een getuige, buiten het zicht van de verdediging, via een geluidslijn met een al dan niet vervormde stem) nodig waren. Het achtte het oordeel van de R-C omtrent de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de getuigen gecombineerd met zijn kennis van hun identiteit aan de verdediging onvoldoende compensatie te bieden voor de handicaps waaronder deze moest werken.