De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling wegens overtreding van de Wet wapens en munitie. Het hof had geoordeeld dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van een gasalarmrevolver met zes patronen in een colbert in zijn kledingkast in zijn slaapkamer, ondanks dat verdachte dit ontkende en verklaarde niets van het wapen te weten.
De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is, gelet op de vindplaats van het wapen in de eigen woning en slaapkamer van verdachte, en de omstandigheden die wijzen op bewustheid. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat degene in wiens woning een geladen vuurwapen wordt aangetroffen op een plek die duidt op verbergen, zich bewust moet zijn geweest van het wapen.
Daarnaast is het cassatieberoep verworpen wegens het niet aannemen van een schending van het recht op een redelijke termijn, aangezien de termijnoverschrijding tussen het instellen van het cassatieberoep en ontvangst van stukken ter griffie beperkt was en geen formele of materiële consequenties heeft.
De Hoge Raad concludeert dat de middelen niet gegrond zijn en verwerpt het cassatieberoep, waarmee het vonnis van het hof in stand blijft.