ECLI:NL:PHR:1997:AA2238
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over geruisloze omzetting onderneming en voortzettingseis in inkomstenbelasting
De zaak betreft een beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het hof Arnhem over de toepassing van de geruisloze omzetting van een onderneming in een BV volgens art. 18 lid 1 Wet Pro IB 1964.
Belanghebbende had zijn onderneming per 1 januari 1992 omgezet in een BV, die juridisch tot stand kwam op 20 november 1992. De Inspecteur nam de geruisloosheid van de omzetting terug vanwege wijziging van de exploitatievorm per 1 september 1993, toen het bedrijfspand werd verhuurd in plaats van dat de onderneming werd voortgezet.
Het hof vernietigde de navorderingsaanslag en oordeelde dat de omzetting geruisloos was. De staatssecretaris stelde in cassatie dat art. 18 lid 1 Wet Pro IB 1964 niet van toepassing is indien de omzetting deel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen en feitelijke handelingen waardoor de onderneming in organisatorisch-technische zin wordt beëindigd.
De Hoge Raad stelt dat het hof hierover niet heeft beslist en vernietigt het arrest. De zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof om te beoordelen of de onderneming feitelijk is gestaakt of voortgezet. De conclusie benadrukt dat de voortzettingseis een anti-misbruikbepaling is en dat de geruisloze omzetting niet mag worden gebruikt om belastingheffing uit te stellen bij bedrijfsbeëindiging.
De zaak illustreert de strikte toetsing van de voortzettingseis bij omzetting van ondernemingen en de toepassing van standaardvoorwaarden en resoluties door de Belastingdienst.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak terug voor beoordeling of omzetting onderdeel was van beëindiging onderneming.