ECLI:NL:PHR:1997:AA2188
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over desinvesteringsbetaling bij sloopregeling binnenvaart
De zaak betreft een geschil over de vraag of een belanghebbende desinvesteringsbetaling verschuldigd is over een sloopuitkering die zij ontving na aanmelding van een motorschip voor de sloopregeling binnenvaart. De belanghebbende had het schip in 1985 gekocht en in 1990 aangemeld voor de sloopregeling, waarna zij een uitkering ontving. Het geschil spitste zich toe op de kwalificatie van deze uitkering en de vraag of deze als overdrachtsprijs in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moest worden beschouwd.
Het Hof 's-Gravenhage had het geschil ten gunste van de belanghebbende beslecht, stellende dat de sloopuitkering geen deel uitmaakt van de overdrachtsprijs en dat er geen sprake was van een obligatoire overeenkomst waarbij het schip aan een derde werd geleverd. De Hoge Raad bevestigt deze lijn en overweegt dat de sloopregeling een wettelijke regeling is waarbij de zorg voor de sloop bij de eigenaar ligt en niet bij een derde of de overheid. De uitkering is een tegemoetkoming voor het onttrekken van het schip aan de vloot en geen vergoeding voor de waarde van het schip.
De Hoge Raad benadrukt dat vervreemding in de belastingrechtelijke zin moet worden verstaan als een rechtshandeling die ertoe strekt een goed over te dragen aan een ander, wat hier niet het geval is. De feitelijke situatie waarbij het schip wordt gesloopt en de eigenaar een uitkering ontvangt, is niet gelijk te stellen met verkoop aan een derde. Het beroep van de staatssecretaris wordt verworpen en het arrest bevestigt dat de sloopuitkering geen aanleiding geeft tot desinvesteringsbetaling.
Uitkomst: Het beroep van de staatssecretaris wordt verworpen; de sloopuitkering leidt niet tot desinvesteringsbetaling.