ECLI:NL:PHR:1997:AA2158
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en kwade trouw belastingplichtige
In deze zaak stond centraal of de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1990 rechtmatig was opgelegd aan X B.V. nadat de inspecteur een administratief verzuim had begaan door de fiscale code van de belanghebbende niet te wijzigen, waardoor geen aanslag werd opgelegd binnen de wettelijke termijn.
Het Hof had geoordeeld dat de belanghebbende niet te kwader trouw was met betrekking tot het feit dat de inspecteur niet bekend was met de belastingschuld, en dat het verzuim van de inspecteur een navordering niet rechtvaardigde. De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigde dat de wetswijziging van 1994 inzake art. 16 lid 1 AWR Pro een driedeling introduceerde waarbij navordering alleen mogelijk is bij ambtelijk verzuim en kwade trouw van de belastingplichtige. De Raad concludeerde dat de belanghebbende niet te kwader trouw was en dat het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet tot een andere uitkomst leidt.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het Hof in stand bleef. De zaak illustreert de toepassing van het kwade trouw-criterium bij navorderingsaanslagen en benadrukt de noodzaak van zorgvuldige administratieve verwerking door de Belastingdienst.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen en de navorderingsaanslag vernietigd wegens ontbreken van kwade trouw bij de belastingplichtige.