ECLI:NL:PHR:1995:AA3158
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arrest Hoge Raad over aftrekbaarheid kosten kinderopvang bij ondernemers en gelijkheidsbeginsel
De zaak betreft een cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Hof Leeuwarden over de aftrekbaarheid van kosten van kinderopvang in de inkomstenbelasting 1990. De belanghebbende is een zelfstandig gevestigde apotheekhoudend huisarts met een gezin met twee minderjarige kinderen. Het geschil draait om de vraag of kosten van kinderopvang in mindering mogen worden gebracht op het onzuivere inkomen van de ondernemer, ondanks dat reeds meewerkaftrek is toegepast.
Het Hof had het geschil ten gunste van de belanghebbende beslecht. De Hoge Raad oordeelt echter dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen werknemers en ondernemers, zowel fiscaal als maatschappelijk, die het maken van onderscheid rechtvaardigen. De meewerkaftrek erkent de draagkrachtverminderende invloed van het meewerken van de partner in de onderneming en vormt een uitwerking van een op draagkracht toegespitst inkomensbegrip.
De Hoge Raad benadrukt dat het gelijkheidsbeginsel niet betekent dat een regeling voor werknemers zonder meer op ondernemers kan worden toegepast. De wetgever heeft bewust een globaal evenwicht nagestreefd in een complex stelsel van fiscale regelingen, waarbij verschillen tussen groepen worden erkend. Het middel van cassatie wordt dan ook ten dele gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de uitspraak van de Belastingdienst bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat kosten van kinderopvang niet aftrekbaar zijn voor ondernemers en vernietigt het arrest van het Hof.