ECLI:NL:PHR:1995:AA3052
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing art. 9 Successiewet 1956 bij terugkooprecht en fictief legaat
In deze zaak gaat het om de vraag of een terugkooprecht, bedongen ten behoeve van een persoon en later overgedragen aan een rechtspersoon, valt onder art. 9 van Pro de Successiewet 1956 en hoe de fictieve verkrijging moet worden gewaardeerd. De Hoge Raad bevestigt dat het terugkooprecht wordt toegerekend aan de oorspronkelijke schuldeiser en niet aan de cessionaris, omdat anders de overlevingsvoorwaarde illusoir zou worden.
Het geschil spitst zich toe op de uitleg van het beding en de toepasselijkheid van art. 9 Sw Pro. 1956. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het recht niet persoonlijk aan de cessionaris toekomt, maar aan de schuldeiser of diens erfgenamen, en dat de waarde van het fictief legaat wordt bepaald op het moment van overlijden van de erflater.
Verder wordt bevestigd dat de mogelijkheid om het terugkooprecht reeds voor het overlijden van de erflater uit te oefenen, bijvoorbeeld bij verkoop, niet in de weg staat aan de toepassing van art. 9 Sw Pro. 1956. De cassatiemiddelen worden ongegrond verklaard en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en art. 9 Sw. 1956 wordt toegepast op het terugkooprecht met waardering op het moment van overlijden.