ECLI:NL:PHR:1995:AA1548
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toepassing Successiewet bij vermoedelijk overlijden en waardering bewind
In deze zaak staat centraal de toepassing van de Successiewet 1956 bij vermoedelijk overlijden van een erflater die Nederland metterwoon had verlaten. De erflater werd bij beschikking van de rechtbank vermoedelijk overleden verklaard met een datum van overlijden in 1978, terwijl het vonnis pas in 1986 werd uitgesproken. De vraag was of voor de toepassing van art. 3 Successiewet Pro 1956 het overlijden op de datum van de verklaring of op de latere datum van het vonnis moest worden aangenomen.
De Hoge Raad bevestigt dat civielrechtelijk de datum van vermoedelijk overlijden geldt voor de vaststelling van erfgenamen en rechten, maar dat voor successierechtelijke waardering en het starten van termijnen de datum van het vonnis beslissend is. Dit voorkomt praktische problemen bij waardebepaling en aangifte. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het bewind als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek geen waardedrukkende werking heeft bij de waardering van de nalatenschap.
Ten slotte behandelt de Hoge Raad de vraag of het opleggen van twee aanslagen, één voor successierecht en één voor het recht van overgang, in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Dit wordt ontkennend beantwoord, mede omdat de inspecteur vooraf had medegedeeld dat de aanslag in het recht van overgang zou worden ingetrokken indien de successierechtsaanslag terecht was opgelegd. Het beroep van belanghebbende wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslagen worden gehandhaafd.