Conclusie
Mr. FokkensNr. 99.446 Conclusie inzake:
Zitting 11 april 1995
[verdachte]
Mr A.M.M. Orie, advocaat te 's-Gravenhage, heeft bij schriftuur een drietal middelen voorgesteld.
De procureur-generaal voert het woord en concludeert tot verwerping van dit verweer.
De verdachte is in deze zaak niet in verzekering of in voorlopige hechtenis gesteld, terwijl geen gerechtelijk vooronderzoek tegen hem is gevorderd of geopend. Het verhoor van de verdachte door de gemeentepolitie te Rotterdam op 5 juli 1990 levert in casu nog niet zodanige handeling op. Evenmin is zodanige handeling gelegen in de faxbrief d.d. 12 april 1989 van de landsadvocaat aan de raadsman van de verdachte, waarin wordt gesteld dat het handelen van [A] / [verdachte] op 8 april 1989 schending van artikel 198 van Pro het Wetboek van Strafrecht oplevert, nu de landsadvocaat -naar de raadsman moet hebben begrepen- bij dat schrijven de verwijziging naar die strafbepaling steeds bezigde ter ondersteuning van zijn stelling dat [A] / [verdachte] jegens de staat onrechtmatig handelde van welk handelen de landsadvocaat beëindiging verlangde, zulks zonder enig strafrechtelijk optreden of zelfs maar aangifte ter zake van enig strafbaar feit aan te kondigen.
De verdachte is op 24 december 1991 – na een eerdere behandeling op tegenspraak op 18 oktober 1991 die tot nietig verklaring van de dagvaarding leidde – gedagvaard voor de terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Middelburg d.d. 24 januari 1992. De verdachte is ter zake van het telastegelegde door voormelde arrondissementsrechtbank veroordeeld bij vonnis van 7 februari 1992.
Op 7 februari 1992 heeft de officier van justitie tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. De aanzegging hoger beroep is uitgereikt op 24 november 1992.
De eerste behandeling in hoger beroep zou plaatsvinden op 19 november 1993, doch toen is de behandeling op verzoek van de verdediging aangehouden voor onbepaalde tijd.
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft vervolgens plaatsgevonden op 11 februari 1994.
Uit het voorgaande blijkt dat eerst van een "criminal charge" sprake is bij het betekenen op 26 september 1991 van de dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van 18 oktober 1991.
Gelet op het vorenstaande -en bij gebreke van enig gesteld of gebleken bijzonder belang dat dit anders zou moeten- kan noch in enige afzonderlijke fase van de procesgang noch bij de procesgang in zijn geheel gesproken worden van overschrijding van de redelijke termijn in de zin voormelde Verdragsbepaling..
vgl. o.m. HR 17 februari 1987, NJ 1987.951 en Harteveld/Keulen/Krabbe, Het EVRM en het Nederlandse strafproces, pp. 76-79. De vaststelling wanneer zich dat moment voordoet, is een sterk feitelijke kwestie; de Hoge Raad zal een oordeel daarover slechts marginaal kunnen toetsen.
"Met de Staat is nooit gesproken over het feit dat wij goederen aan het beslag zouden
hebben onttrokken. Wij hebben alleen de dagvaarding ontvangen."
– niet aan strafrechtelijke gevolgen van de zaak gedacht.
's Hofs – implicite – oordeel dat de verzoeker uit de handelingen van de autoriteiten voorafgaand aan de eerste dagvaarding in eerste aanleg pas in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat een vervolging zou volgen, is niet onbegrijpelijk (vgl. ook HR DD 94.090).
Het middel is ongegrond.
jegens de beslagleggeris verboden goederen aan het gelegde beslag te "onttrekken". Het gaat hier om een "civielrechtelijke blokkering", zoals Oudelaar (Recht halen, Inleiding in het nieuwe executie- en beslagrecht, 3e druk, p. 63-64) het noemt.
eigenmachtigover het goed waarop het beslag rustte, heeft beschikt (vgl. bijv. HR DD 90.310: het
eigenmachtigvervangen van inbeslaggenomen goederen door (gelijkwaardige) andere is "onttrekken" aan het beslag in de zin van art. 198 Sr Pro).
- immers blijkt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen dat de B.V. de grond
waarop het beslag rustte heeft afgegraven en deels afgevoerd en aldus daarover
eigenmachtig heeft beschikt –
en daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden. Het Hof heeft derhalve terecht vastgesteld (wat er zij van de daarvoor gevoerde motivering) dat er gesproken kan worden van "onttrekking aan het beslag".
Het middel is mijns inziens niet gegrond.
eigenmachtigekarakter van het optreden van de B.V. kan door hetgeen de verzoeker stelt immers niet worden gerechtvaardigd.
Het middel kan derhalve niet slagen.
bij de Hoge Raad der Nederlanden,