Conclusie
Onderdeel Ivan het middel keert zich tegen het arrest van 25 april 1991 en verwijt het Hof bij de beoordeling van de vraag of het Koninkrijk een beroep op immuniteit van jurisdictie toekomt een onjuiste maatstaf te hebben aangelegd.
Onderdeel IIvan het middel is opgebouwd uit zes subonderdelen en richt zich tegen de arresten van 16 april 1992 en 15 juli 1993. Kern van de klachten is dat het Hof, nadat het bij het arrest van 25 april 1991 de door het Koninkrijk ingeroepen immuniteit van jurisdictie ten aanzien van de bij de inleidende dagvaarding ingestelde vordering en de daar ontwikkelde gronden had onderzocht en verworpen, niet de vrijheid had om de vordering van De Trappenberg vervolgens bij de arresten van 16 april 1992 en 15 juli 1993 op een andere grond, namelijk de door De Trappenberg gestelde toezegging, af te handelen en toe te wijzen.
subonderdeel II.1, omdat die andere grond niet bij de inleidende dagvaarding aan de vordering ten grondslag was gelegd.
subonderdelen II.2 en II.3lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij strekken ten betoge dat het Hof, ook onafhankelijk van de dienaangaande door het Koninkrijk gegeven rechtsbeschouwingen, zich niet had mogen beperken tot het onderzoek naar het beroep op immuniteit aan de hand van enkel de inleidende dagvaarding, maar dit onderzoek, zonodig ambtshalve, ook had behoren te doen uitstrekken tot de door De Trappenberg in een later stadium aan haar vordering ten grondslag gelegde stellingen.
Subonderdeel II.4mist feitelijke grondslag: noch uit het arrest van 25 april 1991, noch uit de arresten van 16 april 1992 en 15 juli 1993 blijkt dat het Hof een oordeel heeft uitgesproken over de vraag of de bewuste toezegging al dan niet aangemerkt dient te worden als een typische overheidshandeling. Het Hof heeft rechtsmacht aangenomen kennelijk op grond van de overweging dat het Koninkrijk zijn beroep op immuniteit niet heeft doen uitstrekken tot de eis op de gewijzigde grondslag.
Subonderdeel II.5berust op de hierboven in verband met de subonderdelen II.2 en II.3 als onjuist aangemerkte opvatting, dat het Hof gehouden was de immuniteitsvraag ten aanzien van de gewijzigde eis ambtshalve te onderzoeken. Het zal het lot van de subonderdelen II.2 en II.3 moeten delen.
subonderdeel II.6zal niet tot cassatie kunnen leiden. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk op grond van de proceshouding van het Koninkrijk aangenomen dat het Koninkrijk zijn beroep op immuniteit heeft beperkt tot de bij de inleidende dagvaarding aan de vordering meegegeven grondslag.
Onderdeel IIIvan het middel mist zelfstandige betekenis.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep.