Conclusie
zitting 24 juni 1994
(i) de ten processe bedoelde onderhandse akte d.d. 14 mei 1992 overeenkomstig de daarop door de Inspecteur der Registratie en Successie te 's Hertogenbosch gestelde verklaring is geregistreerd op 18 mei 1992; (ii) de vennootschap en de Bank door middel van die akte rechtsgeldig een pandrecht ten behoeve van de bank hebben gevestigd op alle per 14 mei 1992 uitstaande vorderingen van de vennootschap met een totaal saldo groot ƒ 498.202,99, welke vorderingen zijn omschreven in die akte en zijn vermeld op de bij die akte gevoegde computerlijst, derhalve met inbegrip van de vorderingen op de tweede tot en met voorlaatste debiteur van de vennootschap als vermeld in die computerlijst en (iii) de Bank haar pandrecht op al die vorderingen jegens de curator kan uitoefenen. Subsidiair vorderde de Bank een verklaring voor recht dat (i) de vennootschap en de Bank door middel van de ten processe bedoelde, op 11 mei 1992, althans in ieder geval vóór 19 mei 1992, geregistreerde onderhandse akte rechtsgeldig een pandrecht ten behoeve van de Bank hebben gevestigd op alle per 30 april 1992 uitstaande vorderingen van de vennootschap met een totaal saldo groot ƒ 465.831,39, welke vorderingen zijn vermeld op de in die akte bedoelde computerlijst, derhalve met inbegrip van de vorderingen op de tweede tot en met de voorlaatste debiteur van de vennootschap als vermeld in die computerlijst en (ii) dat de Bank haar pandrecht op al die vorderingen jegens de curator kan uitoefenen.
- dat het een nadeel van die interpretatie is dat het tijdstip van aanbrengen van stempel of sticker onzeker is.
Op grond van deze overwegingen oordeelt de rechtbank dat kan worden uitgegaan van de door de Eenheden gehanteerde registratiedatum en verwerpt zij het datumverkeer.
b) De wijze waarop de vorderingen in casu in de pandakten zijn aangeduid, acht de rechtbank echter onvoldoende. Zij overweegt dat uit de artikelen 3:236 lid 2 jo. 3:94 lid 1 en 3:84 lid 2 BW, die ook van toepassing zijn op stille verpanding, volgt dat de te verpanden vorderingen met voldoende bepaaldheid dienen te zijn omschreven in de pandakte. Uit die eis vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat van de te verpanden vorderingen wordt vermeld wie de debiteur is. De rechtbank verwijst hiervoor naar de parlementaire geschiedenis van Boek 3, waaruit volgens de rechtbank blijkt dat de eis van voldoende omschrijving strikt dient te worden geïnterpreteerd in het belang van derden die van het bestaan of de omvang van de verpanding niet op de hoogte zijn. Voorts blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de bezwaren van het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen tegen het vereiste van registratie zijn afgewogen tegen de belangen van genoemde derden en dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen de registratie van de pandakte als constitutieve voorwaarde te handhaven, aldus de rechtbank.
Abesproken. Vervolgens dient te worden onderzocht of op grond van de registratie-eis van art. 3:239 lid 1 wellicht Pro andere, strengere eisen aan de beschrijving van de vorderingen in de in die bepaling bedoelde akte moeten worden gesteld. Dat zal hierna onder B geschieden.
- het algemene zakenrechtelijke vereiste van individualiseerbaarheid en specialiteit van het object van een zakenrechtelijke handeling (Asser-Mijnssen-De Haan, a.w. nrs. 300 en 264); Van Mierlo t.a.p.; Heyman t.a.p.);
- op art. 3:84 lid 2 en Pro op art. 1369 (oud) BW (Asser-Mijnssen-De Haan, bij de behandeling van de zakelijke overeenkomst in het algemeen in nr. 264; Asser-Beekhuis I, nr. 291; Brahn, a.w. nr. 5.2.1 en 6.2.1; vgl. ook Mijnssen, (On)zekerheid en nieuw recht, Ars Notariatus LV [1992], p. 57).
inde akte zelf moet zijn beschreven door middel van de naam van de debiteur dan wel het factuur- en/of clientnummer. Ook de Hoge Raad stelde deze eis onder het oude recht niet aan een cessieakte, blijkens de formulering "dat de over te dragen vordering reeds ten tijde van de cessie ook naar haar inhoud in voldoende mate
doorde akte van cessie bepaald wordt"; vgl. het reeds genoemde HR 24 oktober 1980, NJ 1981, 265 m.nt. W.M.K.
Doorde akte is niet per se
inde akte.
op basis van hetgeen in de cessie-akte is neergelegd. Dit is m.i. ruim genoeg om de verwijzing in de pandakte zoals die in het onderhavige geval is geschied (dus confom het NVB-model), daaronder te begrijpen.
Hieruit volgt dat de vermelding van de vorderingen in de akte zelf c.q. het laten registreren van de computerlijst in zoverre een extra beveiliging tegen fraude kan bieden, dat het vervangen van de computerlijst door een andere niet meer mogelijk is, tenzij men de op de bladen van de akte gestelde parafen vervalst. Wel zou het ook bij registratie van de lijst nog steeds mogelijk zijn vorderingen van de lijst. te schrappen, nieuwe vorderingen toe te voegen, het bedrag van een vordering te veranderen en te knoeien met factuur- en klantnummers. Men zou echter kunnen stellen dat veranderingen in de akte die niet als renvooi zijn geregistreerd, dienen te worden genegeerd.
Voorts dient te worden bedacht dat banken en andere financiers plegen te eisen dat de stille verpanding door de schuldenaar betrekking heeft op al zijn bedrijfsvorderingen. In de praktijk zou het toevoegen van vorderingen op de oorspronkelijke computerlijst - afgezien van het geval van het "herstellen van een omissie", d.w.z. het alsnog toevoegen van een op het tijdstip van het opstellen van de lijst reeds bestaande, maar niet op de lijst vermelde vordering - alleen zin hebben met betrekking tot vorderingen die de debiteur heeft verkregen na de datum van de laatste verpanding, dus meestal in een periode van een of twee weken; en dan nog alleen indien zulks niet meer opgevangen kan worden door het inzenden van een nieuwe lijst in verband met een derdenbeslag of met het (aanstaande) faillissement van de schuldenaar. Zoals ook uit de feiten in de onderhavige zaak blijkt, zal het aantal vorderingen dat na de laatste registratiedatum is ontstaan, in de regel slechts een fractie van het totale aantal stil verpande vorderingen uitmaken.
Uit de parlementaire geschiedenis (zie bijvoorbeeld Pari. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1329/1330 waar de Minister de bezwaren van het NGB tegen de registratie-eis verwerpt) blijkt niet dat aan dit soort door banken te plegen fraude is gedacht bij het stellen van de registratie-eis ter voorkoming van antedatering.
Ook kan niet gezegd worden dat het NVB-model geen enkele waarborg biedt tegen fraude en dat het de registratieformaliteit tot een lege huls maakt: de datum van de computerlijst en het totaalsaldo van de daarop vermelde vorderingen zal moeten overeenkomen met datum en saldo in de pandakte. Bovendien is het niet genoeg de computerlijst te veranderen: de boekhouding van de schuldenaar/pandgever (die in geval van faillissement ter beschikking is van de curator) zal daarmee in overeenstemming moeten worden gebracht, waarbij te bedenken is dat niet slechts die schuldenaar, doch ook de debiteur van de vordering waarmee wordt gemanipuleerd, over een factuur van die vordering beschikt. Er zal, wil men sluitend kunnen frauderen, dus niet alleen met de computerlijst, maar ook met de boekhoudingen van de schuldenaar/pandgever en van diens debiteur (en) geknoeid moeten worden.
onderdelen 1.1. 2.1. 2.2. 2.3 en 2.4doel treffen. De overige onderdelen behoeven geen bespreking meer.
datum van aanbiedingter registratie van een akte is art. 10 Uitv Pro. besch. van belang, bepalende dat die datum in de registers Registratie nrs. 3 en 4 boven de eerste registratie betreffende de op eenzelfde dag aan de inspecteur aangeboden akten wordt vermeld, en wel - met uitzondering van het jaartal - in letters. De dagtekening van de akte behoeft in het geval van een onderhandse akte niet in het register te worden vermeld (vergelijk de artikelen 11 lid 1 sub ƒ en het bij Wet van 10 december 1991, Stcr. 1991, 244 gewijzigde art. 12 Uitv Pro. besch.).
dagtekening van de registratieten slotte komt aan de orde in art. 18 Uitv Pro. besch., waarvan lid 1 bepaalt dat de inspecteur ten blijke van de registratie op de akte een door hem ondertekende verklaring van registratie stelt, hetgeen in de praktijk gebeurt door middel van een stempel of sticker, de zgn. relaassticker. Lid 2 somt de gegevens op die de verklaring van registratie dient te bevatten en noemt sub a de plaats en dagtekening van de registratie. In lid 3 van art. 18 wordt Pro daar nog aan toegevoegd dat bij authentieke akten en annexen de dagtekening van registratie - met uitzondering van de maand - in cijfers wordt vermeld, en bij andere akten in letters, met uitzondering van de eeuw. Hier gelden dus andere regels dan bij de vermelding van de datum van aanbieding in de registers (zie hierboven art. 10 Uitv Pro. besch.).
Zie hierover ook Van Mierlo, WPNR 6030 (1991), p. 889, die pleit voor een soortgelijke regeling als neergelegd in art. 3:18 e.v. BW bij de registratie op basis van de Rw. 1970. Ook De Korte, Registratie van pandrecht in 1992, FBN 1991, p. 2 lijkt de dagtekening van de registratie gelijk te stellen aan de datum van aanbieding: "Het belangrijkste rechtsgevolg van de uitvoering van de formaliteit van registratie volgens deze wet is zekerstellen van dagtekening van aanbieding ter registratie van de akte."
Door de curator is eigenlijk geen ander bezwaar aangevoerd dan dat de praktijk in strijd is met de wet. Mr Meijer merkt in zijn mondelinge toelichting op dat indien men de door hem getrokken consequentie van de huidige wettelijke regeling niet wil aanvaarden, men dan maar de wet moet veranderen. Ik meen dat een interpretatie van de wet als hierboven bepleit de kwestie afdoende oplost.
Onderdeel 1faalt m.i. bij gebrek aan belang. Wat er ook zij van de weergave door de rechtbank van de stellingen van de curator, het oordeel van de rechtbank is m.i. juist.
onderdeel 2geldt hetzelfde als voor onderdeel 1.
Onderdeel 3faalt voorzover het motiveringsklachten bevat eveneens bij gebrek aan belang. De rechtsklacht van het onderdeel, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de huidige praktijk van de Eenheden Registratie en Successie zich verdraagt met de Registratiewet 1970 en haar Uitvoeringsbeschikking, faalt op de gronden die hierboven zijn uiteengezet.
Onderdeel 4faalt wederom bij gebrek aan belang omdat ook indien de akte eerst op 20 mei 1992 daadwerkelijk is geregistreerd (in de zin dat de gegevens op die datum in de registers zijn verwerkt), daardoor geldige pandrechten zijn ontstaan nu die akte reeds op 18 mei ter registratie was aangeboden.