Conclusie
Onderdeel Ivan het middel keert zich tegen het oordeel van het hof inzake de vraag naar de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van AEG.
Onderdeel IIvan het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat het interne memo van [betrokkene 1] te vaag is om te kunnen dienen als de duidelijke aanzegging die art. 1286 (oud) BW in lid 3 vereist.
a) het oordeel van het hof is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat Lloyd in hoger beroep duidelijk heeft gemaakt door wie en namens wie (de belanghebbenden bij het beschadigde schip) en jegens wie (de WA-verzekeraar van AEG) in het bedoelde memo aanspraak op de wettelijke rente werd gemaakt; het hof miskent dat de wettelijke rente ook rechtsgeldig kan worden aangezegd aan de WA-verzekeraar van AEG; (
b) bovendien miskent het hof dat een aanzegging overeenkomstig art. 1286 lid Pro 3 (oud) BW niet nodig was, aangezien ingevolge art. 6:119 BW Pro, welke bepaling (toen) als reeds geldend recht was te beschouwen, althans zich leende voor anticiperende interpretatie, de verplichting van wettelijke rente over het schadebedrag ingaat op het tijdstip waarop de schade is toegebracht.
a) kan niet tot cassatie leiden. ‘s Hofs oordeel dat het bedoelde memo te vaag is om als aanzegging van de wettelijke rente te kunnen dienen is feitelijk en geenszins onbegrijpelijk. Overigens heeft het hof dat stuk kennelijk niet alleen te vaag geoordeeld ten aanzien van de vraag tot wie het was gericht, maar ook ten aanzien van de inhoud ervan (“formeel wordt verzocht”; “het gevorderde bedrag”), zodat de klacht dat het hof heeft miskend dat de wettelijke rente ook rechtsgeldig kon worden aangezegd aan de WA-verzekeraar van AEG, wat daar verder ook van zij, Lloyd reeds wegens gebrek aan belang niet kan baten.
b) is m.i. een doodlopende weg. Uit art. 182 Overgangswet Pro Nieuw Burgerlijk Wetboek volgt dat art. 6:119 BW Pro niet van toepassing is wanneer de debiteur vóór de inwerkingtreding in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten. Bovendien wijkt de regeling van art. 6:119 BW Pro zozeer af van de regeling van art. 1286 (oud) BW en de daarmee verband houdende (oude) regeling betreffende het verzuim van de debiteur, dat voor anticiperende toepassing van art. 6:119 BW Pro onder het oude recht geen grond aanwezig is. Vgl. HR 27 september 1991, NJ 1991, 801. Zie voorts de Memorie van Toelichting bij de Wet van 7 oktober 1970, houdende wijziging van de artikelen 1286 en 1804, Stb. 458, Tweede Kamer, zitting 1969–1970, 10 534, nr. 3, waar wordt opgemerkt: