Conclusie
Nr. 14.576
Onderdeel Ikeert zich met een rechtsklacht en, subsidiair, een motiveringsklacht tegen de zojuist aangehaalde rechtsoverweging van het hof.
Onderdeel IIbestrijdt met een motiveringsklacht het oordeel van het hof dat ‘’de toescheiding van het pand aan [verweerster] als zodanig niet (is) bestreden’’ (r.o. 4.2 slot).
onderdeel IIIlijkt mij geen succes te kunnen hebben. Het oordeel van het hof dat alle in het proces-verbaal van revindicatoir beslag van 9 mei 1983 vermelde goederen gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn, berust op uitleg van de uit het proces-verbaal van zwarigheden en de overige gedingstukken blijkende stellingen van partijen. Dit oordeel is feitelijk van aard en kan in cassatie op juistheid niet worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk gelet op de door partijen in de vorige instanties aangevoerde stellingen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat [eiseres] reeds in de feitelijke instanties heeft aangevoerd dat [verweerster] in de vanwaardeverklaringsprocedure, eindigende in het vonnis van de Rechtbank te Breda d.d. 10 september 1985, heeft erkend dat een deel van de beslagen goederen privé-eigendom van [eiseres] zijn. Op deze feitelijke stelling kan in cassatie derhalve geen acht geslagen worden. Tot ambtshalve toepassing van het gezag van gewijsde met betrekking tot de vaststelling in genoemd vonnis dat [verweerster] heeft erkend dat een deel van de beslagen goederen privé-eigendom van [eiseres] zijn, was het hof niet gehouden (art. 67 lid 3 Rv Pro).
conclusietot verwerping van het beroep.