ECLI:NL:PHR:1989:8

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 1989
Publicatiedatum
8 december 2020
Zaaknummer
2409
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a Wetboek van StrafvorderingArt. 118 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking van beklagprocedure bij inbeslagname na teruggave goederen

De Rechtbank Rotterdam verklaarde klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag tegen de inbeslagname van twee videobanden, omdat deze aan haar waren teruggegeven. Klaagster stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing. De zaak betrof de uitleg van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, dat een bijzondere procedure regelt voor het verkrijgen van teruggave van in beslag genomen goederen.

De Hoge Raad overwoog dat de beklagregeling van artikel 552a Sv uitsluitend bedoeld is om teruggave van in beslaggenomen voorwerpen te verkrijgen en niet om de rechtmatigheid van een reeds opgeheven beslag te toetsen. Dit volgt uit de tekst van de wet, de parlementaire geschiedenis en eerdere jurisprudentie. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat na teruggave van goederen belanghebbenden zich tot de burgerlijke rechter moeten wenden voor een oordeel over de rechtmatigheid van de inbeslagneming.

De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukte dat hoewel een regeling voor beoordeling van de rechtmatigheid na teruggave wenselijk kan zijn, de bestaande beklagregeling niet extensief moet worden geïnterpreteerd. Andere dwangmiddelen zijn ook niet via het Wetboek van Strafvordering aan een aparte procedure onderworpen. Schadevergoeding voor onrechtmatige inbeslagneming dient via de civiele rechter te worden gezocht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; beklag over rechtmatigheid van inbeslagname na teruggave is niet mogelijk via art. 552a Sv.

Conclusie

N.E.
Nr. 2409 Rekest
Parket, 10 november 1989
Mr. Fokkens
Conclusie inzake:
[klaagster]
Edelhoogachtbaar College,
1. De Rechtbank te Rotterdam heeft [klaagster] niet ontvankelijk verklaard in haar beklag tegen de inbeslagname van een tweetal videobanden.
Volgens de rechtbank is klaagster niet ontvankelijk omdat de inbeslaggenomen videobanden aan haar zijn teruggegeven.
2. Het door Mr. E.J. Dommering, advocaat te 's-Gravenhage, namens verzoekster voorgestelde middel van cassatie richt zich tegen deze opvatting van de rechtbank.
3. Deze zaak lijkt sterk op de casus in NJ 84, 38. Daarin stelde de Advocaat-Generaal Leijten zich op het standpunt dat:
‘’de rechter aan wie de vraag voorgelegd wordt of een inbeslagneming rechtmatig, geldig, gegrond is, die vraag ook zal moeten beantwoorden, als het in beslag genomene inmiddels is teruggegeven’’,
en concludeerde dientengevolge tot vernietiging van de beschikking waarbij requirant niet ontvankelijk was verklaard in zijn beklag.
4. Uw Raad lijkt hierover echter een andere opvatting te zijn toegedaan, want het cassatieberoep werd peeksgewijs verworpen. Zie ook de noot van Van Veen bij het arrest. Ik noem in dit verband verder: NJ 1983, 122 en NJ 1987, 949.
5. Voor de opvatting van de rechtbank pleit de tekst van art. 552a Sv, nu lid 5 bepaalt:
‘’Acht het gerecht het beklag gegrond, dan geeft het de daarmee overeenkomende last’’.
Daaruit kan immers worden afgeleid, dat de regeling niet voorziet in het geval dat moet worden volstaan met een gegrondverklaring omdat de betreffende goederen al zijn teruggegeven.
6. Ook de M.v.T. op het ontwerp van wet waarbij ondermeer art. 552a Sv werd ingevoerd, duidt er op dat het beklag enkel dient om teruggave van in beslag genomen goederen te verkrijgen. Ik citeer:
‘’Intussen zal aan de belanghebbenden ook in de toekomst een middel moeten worden gegeven om voor hun belangen op te komen ingeval art. 118 niet Pro voldoende wordt toegepast’’ (Zitting 1954–1955, 4034, nr. 3, p. 13).
Art. 118 Sv Pro bevat enkel bepalingen over de teruggave van inbeslaggenomen goederen.
7. Verder staat in de M.v.T. te lezen (p. 13, 2e kolom):
‘’Enige nadere toelichting behoeft het tweede lid van artikel 552a. De bijzondere procedure, welke het W.v.Sv. geeft voor het
terugvragenvan inbeslaggenomen voorwerpen, sluit, ook naar de huidige jurisprudentie, de weg naar de burgerlijke rechter af’’.
8. Tenslotte meen ik met Van Veen (noot bij NJ 84, 38) dat ook het feit dat het W.v.Sv. een regeling kent voor schadevergoeding voor ten onrechte plaatsgevonden hebbende inbeslagneming, een argument vormt tegen de opvatting dat art. 552a Sv ruimte biedt voor beklag over de rechtmatigheid van een reeds opgeheven beslag (vgl. NJ 1986, 783).
9. Het middel houdt onder meer in, dat de beslissing van de rechtbank niet past in de lijn die de Hoge Raad heeft uitgezet voor de verhouding tussen de gewone rechter en de (bijzondere) administratieve rechtsgang.
10. Ik acht die stelling niet juist. In de betreffende arresten is de opvatting neergelegd, dat indien tegen een overheidsbeschikking een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan en deze rechtsgang niet is gebruikt, de burgerlijke rechter van de rechtsgeldigheid van die beschikking moet uitgaan.
Dit kan tot gevolg hebben dat een overigens zinloze administratiefrechtelijke procedure wordt gevolgd om een oordeel over de rechtmatigheid van een beschikking te krijgen (vgl. de noot van Scheltema bij NJ 1989, 528).
11. In dit geval gaat het echter niet om de vraag wat de gevolgen zijn van het openstaan van een afzonderlijke rechtsgang voor de mogelijkheid een zaak voor te leggen aan de burgerlijke rechter, maar is aan de orde in hoeverre het Wetboek van Strafvordering een afzonderlijke beroepsprocedure kent met betrekking tot de inbeslagneming van voorwerpen.
12. Zoals uit het hiervoor betoogde volgt, beperkt de beklagregeling van art. 552a zich tot klachten die tot doel hebben teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen te verkrijgen. Dit betekent dat ook het onder 4 subsidiair ingenomen standpunt dat in ieder geval de beklagrechter de bevoegde rechter blijft, wanneer het beklag wordt ingediend op een tijdstip dat het inbeslaggenomen voorwerp nog niet is teruggegeven, evenmin juist is.
13. Dit alles leidt ertoe dat een belanghebbende niet verdachte gelijk verzoekster zich tot de burgerlijke rechter zal moeten wenden om een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van een inbeslagname, indien de betreffende voorwerpen zijn teruggegeven.
14. Wellicht verdient een regeling in het W.v.Sv. de voorkeur, maar dat is op zich geen reden om de bestaande beklagregeling extensief te interpreteren. Immers, vele andere gevallen waarin derden belanghebbende een rechterlijk oordeel kunnen wensen over de rechtmatigheid van (mede) jegens hen toegepaste dwangmiddelen, zijn evenmin in het W.v.Sv. geregeld. Ik noem: de huiszoeking, het afluisteren van telefoongesprekken, het openen van brieven. Bovendien zou de regeling dan in die zin ontoereikend blijven, dat schadevergoeding niet door de strafrechter kan worden toegepast zodat men zich daarvoor alsnog tot de civiele rechter zou moeten wenden.
Het middel niet gegrond achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,