Conclusie
van de stroom [7] en daarvan is de Staat eigenaar, zodat hij zich, wat dit aspect betreft, tegen dergelijke lozingen kan verzetten.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat centraal de vraag of de Staat als eigenaar van de Nieuwe Waterweg privaatrechtelijke vergunningen en vergoedingen kan opleggen voor het lozen van afvalstoffen, zoals gipsslurry, door bedrijven als Windmill Holland B.V. en DSM Agro B.V. De Staat had een privaatrechtelijke vergunning ingetrokken en wilde een hogere vergoeding opleggen, wat door de bedrijven werd bestreden.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de eigendom van de rivierbodem en de stroom een publieke bestemming heeft en dat de Staat zijn eigendomsrechten in het publiek belang moet uitoefenen. Het hof stelde dat een publieke last rust op het openbaar vaarwater, waardoor de eigenaar moet dulden dat afvalstoffen worden geloosd, mede omdat dit al lange tijd gebruikelijk is. Tevens werd geoordeeld dat de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO) een exclusieve publiekrechtelijke regeling biedt, waardoor privaatrechtelijke vergunningen en vergoedingen niet zijn toegestaan.
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en wijst erop dat de WVO een exclusieve werking heeft en dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat naast de publiekrechtelijke vergunning en heffing ook privaatrechtelijke vergunningen en vergoedingen kunnen worden opgelegd. Dit zou het gecoördineerde beleid ondermijnen en de rechtsbescherming van betrokkenen beperken. De Hoge Raad verwerpt het principaal beroep van de Staat en veroordeelt de Staat in de kosten van cassatie.
Uitkomst: Het principaal beroep van de Staat wordt verworpen en de Staat wordt veroordeeld in de cassatiekosten.