Conclusie
Mr. Leijten
Zitting 5 september 1989
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak ging het om de vraag of de dagvaarding wegens verduistering van geldbedragen voldoende feitelijk bepaald was volgens artikel 261 Sv Pro. De rechtbank te Groningen had de dagvaarding nietig verklaard omdat volgens haar niet duidelijk was gemaakt waarin het strafbare gedrag bestond. Het hof bevestigde dit oordeel met een verbetering van de gronden.
De Hoge Raad oordeelde dat de term "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend" voldoende duidelijke feitelijke betekenis heeft en dat de eis dat de wijze van toe-eigening nader moet worden omschreven te ver gaat. De Hoge Raad stelde dat het oordeel van rechtbank en hof dat de dagvaarding nietig zou zijn, niet stand houdt omdat de tenlastelegging wel voldoende duidelijkheid verschaft over het strafbare feit.
Daarnaast wees de Hoge Raad op een procedureel verzuim bij het hof: de raadsheren die het arrest hadden gewezen, hadden niet beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting, wat de geldigheid van het arrest aantast. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar de rechtbank Groningen of het hof Leeuwarden voor verdere behandeling van de hoofdzaak.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling.