Conclusie
De feiten en het verloop van de procedure.
a) een
verklaring voor rechtgevorderd dat de tussen de wederpartij (AGCA) en FTA op 2 november 1981 gesloten collectieve arbeidsovereenkomst (verder aan te duiden als: de CAO) van kracht was tot en met 1 februari 1985, en voorts (
b)
veroordelingvan AGCA om uitvoering te geven aan de bepalingen van de CAO, in het bijzonder het bepaalde in de artikelen 8 lid 3, 10 lid 2, 20 lid 2 en 24 lid 1 daarvan en aldus de daar genoemde aanpassingen c.q. verhogingen uit te betalen, op straffe van een dwangsom. Bij vonnis van 27 maart 1985 heeft de eerste rechter de verklaring voor recht geweigerd en FTA in haar vordering tot vorenomschreven veroordeling (
b) niet ontvankelijk verklaard. Het is uitsluitend die beslissing inzake de veroordeling die in cassatie nog een rol speelt. Daaromtrent overwoog de eerste rechter:
Grief III:
individuelearbeidsovereenkomsten, waarover elke individuele werknemer, al of niet vakbondslid, zelf beslist.’’
b, strekkende tot nakoming van enige bepalingen van de CAO. De eerste rechter had die vraag ontkennend beantwoord met een motivering, neergelegd in de r.o. 16–18 voren geciteerd. Die motivering komt er op neer dat de zgn. ‘’nawerking’’ van de geëindigde CAO beperkt blijft tot de inhoud van de individuele arbeidsovereenkomsten en zich niet uitstrekt tot de uit de CAO voortvloeiende vertegenwoordigingsbevoegdheid.
individuelebelangen, aldus het hof, dat — als ik het goed zie —
groepsbelangen tegenover individuele belangen stelt en daarin het beslissende criterium voor de ontvankelijkheid van FTA ziet. De bevoegdheid om op te treden voor groepsbelangen eindigt, in de gedachtengang van het Hof, met het eindigen van de CAO.
geen nawerkingsvraagis. Van de juistheid van r.o. 17, dat de nawerking (van bepalingen van een geëindigde CAO) beperkt blijft tot bepalingen die — kort gezegd — binnen de individuele arbeidsovereenkomsten blijven gelden, kan, wat mij betreft, wel worden uitgegaan, maar dat punt doet m.i. niet ter zake. De op r.o. 17 voortbouwende r.o. 18 volgt dan ook een verkeerd spoor. Natuurlijk is het ‘’vertegenwoordigings’’-recht van de vakbond niet overgegaan op de individuele arbeidsovereenkomsten; hoe zou men zich dat moeten voorstellen? Het recht van FTA om met een op de CAO steunende vordering tegen AGCA op te treden berust niet op de ‘’normatieve’’, of andersoortige, werking van de desbetreffende CAO-bepalingen, in het algemeen gezegd: niet op
de inhoudvan de CAO, maar op de positie van FTA als CAO-
contractspartijvan AGCA, d.w.z. — in termen van Nederlands recht — op art. 1374 lid 1 BW Pro jo art. 1 Wet Pro CAO. Het enkele feit dat FTA met AGCA een rechtsgeldige CAO heeft gesloten is een voldoende grondslag voor de ontvankelijkheid van FTA in haar tot nakoming van die CAO strekkende vordering tegen AGCA. Haar belang bij die vordering, voor zover voor haar ontvankelijkheid vereist, is met die positie van contractspartij gegeven. FTA mag van AGCA nakoming vorderen. Daarbij zij genoteerd, dat een collectieve arbeidsovereenkomst geen arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 1637a BW is. Een CAO is een arbeids
voorwaardenovereenkomst, die niet recht geeft op betaling van loon maar op toepassing van o.a. bepaalde loonregelingen in de individuele arbeidsovereenkomsten. Dienovereenkomstig is de vordering van FTA in de onderhavige zaak opgezet. Die vordering beoogt toepassing van de loonindexering in de individuele arbeidsovereenkomsten. FTA vordert niet een haar zelf uit te betalen bedrag. Zij vordert nakoming van een onderdeel van een arbeidsvoorwaardenovereenkomst. Daarbij baseert zij zich op wat de ‘’obligatoire werking’’ van de CAO wordt genoemd: de CAO als bron van rechten en verplichtingen voor de contractspartijen zelf. Art. 8 Wet Pro CAO verplicht een vereniging die een CAO heeft aangegaan, te bevorderen in de mate als de goede trouw medebrengt, dat haar leden hun CAO-verplichtingen nakomen; de vereniging staat voor haar leden slechts in voor zover zulks in de CAO is bepaald. FTA kan dus AGCA aanspreken tot nakoming van haar ‘’bevorderingsplicht’’ uit art. 8. Zie verder art. 15 Wet Pro CAO over het recht op schadevergoeding. Vergl. de corresponderende bepalingen van art. 7.11.8 en 7.11.15 ontwerp-NBW, alsmede de toelichting daarop en de M.v.T. en het Verslag met de M.v.A. op art. 8 Wet Pro CAO (zitting 1926–1927, nrs. 166.3, p. 5–6 en 166.4, p. 16–20). Ik laat nu daar dat de term ‘’arbeidsvoorwaardenovereenkomst’’ de CAO niet volstrekt zuiver typeert; zie de losbladige ‘’Arbeidsovereenkomst’’, Wet CAO, aant. 3 op art. 1. Voor de diverse onderlinge rechtsverhoudingen bij een CAO verwijs ik naar diezelfde losbladige, aant. 3 op art. 4, met het schema onder d; Bakels in ‘’Hedendaags arbeidsrecht’’ (Levenbach-bundel, 1966), p. 19–21 (met noot 16) en 23 (de vakvereniging kan de individuele werkgever aanspreken tot nakoming).
inmiddels geëindigdeCAO. Het verstrijken van de tijd waarvoor een overeenkomst voor een bepaalde tijdsduur is gesloten, zal in het algemeen — behoudens ‘’nawerking’’ — beëindiging van de gebondenheid aan de inhoud van die overeenkomst meebrengen, maar doet niet af aan de ontvankelijkheid van een contractant wanneer deze met een beroep op ‘’nawerking’’ nakoming voor de toekomst vordert van zijn voormalige wederpartij. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is het concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst, dat uit zijn aard bestemd is om juist na het beëindigen van de overeenkomst te gaan werken. Van een niet-ontvankelijkheid op grond van die beëindiging kan natuurlijk geen sprake zijn. Voorts kan de goede trouw meebrengen dat bepaalde contractuele rechten en verplichtingen ook na contractsbeëindiging blijven doorlopen. Het is duidelijk dat een (gewezen) contractspartij ook dan ontvankelijk blijft in een op een postcontractuele bevoegdheid steunende vordering.
eigen,
zelfstandigrecht uit de CAO heeft. In zoverre lijkt mij de daarmee onverenigbare vertegenwoordigingsconstructie waarvan r.o. 18 van het vonnis in eerste aanleg uitgaat, onjuist. FTA heeft een eigen belang, als vakbond, bij totstandkoming en naleving van de CAO, waarbij mede algemene sociale verhoudingen in het geding zijn. Aldus: Mannoury, ‘’De collectieve arbeidsovereenkomst’’ (1961), p. 75, en de andere auteurs vermeld door Groenendijk, ‘’Bundeling van belangen bij de burgerlijke rechter’’ (diss. 1981), p. 131, die ook andere opvattingen (zoals die van de procesvertegenwoordiging) noemt.
jo. art. 12 Wet Pro CAO. In deze bepalingen is de zgn. normatieve werking van de CAO neergelegd, d.w.z. (losbladige ‘’Arbeidsovereenkomst’’, Wet CAO, aant. 1 op art. 12):
art. 2:46 BW Proen art. 15 Wet Pro CAO: losbladige ‘’Arbeidsovereenkomst’’, Wet CAO, aant. 2–4 op art. 15. Het woord ‘’namens’’ in art. 2:46 BW Pro is niet onverenigbaar met het optreden van een vakvereniging krachtens eigen recht. De wetgever heeft met dat woord vooral tot uiting willen brengen dat een
cumulatievan vorderingen (ingesteld door de vakvereniging èn door een individueel lid) tegen een werkgever er niet toe mag leiden dat laatstgenoemde tweemaal moet betalen:
individuelebelangen en niet om belangen van ‘’de groep’’. Dit door het Hof gemaakte onderscheid geeft blijk van een m.i. onjuiste rechtsopvatting. Miskend wordt dat het gaat om een
bundelingvan individuele belangen die — zoals boven aangetekend — voor ontvankelijkheid van de belangenorganisatie toereikend kan zijn (mits aan de andere voorwaarden voor de ontvankelijkheid is voldaan), zodat het onderscheid tussen groepsbelangen en individuele belangen zijn betekenis verliest. Zie over de terminologie Groenendijk, a.w., p. 48–49, die te dezen spreekt van ‘’collectieve belangen’’, die hij onderscheidt van ‘’groepsbelangen’’ en ‘’algemene belangen’’, er op wijzende dat Verburgh in zijn ‘’Privaatrecht en kollektief belang’’ (1975), p. 9, een andere terminologie gebruikt.