"Ten onrechte poneert de rechtbank zonder enige motivering de stelling dat de beginselen van de goede trouw, die de verhouding tussen (ex)echtgenoten beheersen, geen verandering brengen in de ontzegging door de rechtbank van appellantes aandeel in de waardevermeerdering."
De Toelichting op deze grief (mem. v. gr. p. 10) luidt:
"De rechtbank had er nooit van mogen uitgaan dat appellante met toescheiding van de tweede en derde echtelijke woning aan geintimeerde heeft ingestemd. Nu de rechtbank dit toch heeft gedaan, had zij in ieder geval moeten argumenteren waarom de beginselen van de goede trouw ... (in casu) geen verandering brengen."
Hieromtrent overweegt het hof (p. 6) dat niet valt in te zien dat
"de goede trouw ... zou meebrengen, dat de man rentevergoeding over voormeld bedrag van Fl. 39.000,- of een aandeel in de waardevermeerdering van de "derde" woning aan de vrouw zou behoren te betalen.
... de vrouw heeft goed gevonden dat in 1964 een haar toekomend bedrag van Fl. 39.000,- is gebruikt als bijdrage harerzijds in de financiering van de huisvesting van het gezin. ...
(Dan) verzet de goede trouw zich ertegen, dat de man na verloop van 18 jaar alsnog een vergoeding voor die bijdrage in de huisvestingskosten van het voormalig gezin aan de vrouw zou moeten betalen in de vorm van een rente of van een aandeel in de waardevermeerdering van de "derde" woning".
In deze overweging komt het duidelijkst tot uiting het misverstand dat, naar ik meen, is ontstaan doordat men meende te doen te hebben met een vordering tot rentevergoeding, dus tot vergoeding van inkomensverlies, in plaats van met een vordering in de vermogenssfeer (zie wederom boven sub 2, tweede alinea). Voor zover de algemene klacht van het cassatiemiddel: "schending van het recht en verzuim van vormen ..." ook op dit onderdeel betrekking heeft, acht ik het wegens onbegrijpelijkheid van 's hofs overweging omtrent de rente, gezien het door de vrouw gevorderde, gegrond.
Indien het hof van oordeel zou zijn, dat de goede trouw er zich tegen verzet dat na verloop van 18 jaar de vrouw nog aanspraak maakt op een aandeel in de waardevermeerdering van de echtelijke woning, komt dit oordeel mij eveneens onjuist voor. Immers eerst bij het einde van het huwelijk door echtscheiding kon de vrouw weten, of de man de eigendom van de laatste echtelijke woning voor zich zou behouden, en zo ja wat op dat moment de waardevermeerdering van het pand (eventueel) zou zijn. Vergelijk Asser-De Ruiter en Moltmaker, a.w., nr. 372 p. 200.
Voor zover echter het onderdeel de strekking heeft (zie de toelichting van de vrouw p. 12 e.v.) te betogen dat zij krachtens regels van redelijkheid en billijkheid recht heeft op de helft, althans een aandeel in de waardevermeerdering van de woning, voor zover deze is gefinancierd door belegging van besparingen op de inkomsten van partijen en/of aflossingen op de hypothecaire lening(en), gezien de duur van het huwelijk en de andere omstandigheden van het geval, meen ik dat het vergeefs wordt voorgedragen. Niet omdat deze regel mij onjuist voorkomt — integendeel —, maar omdat het naar mijn mening in strijd met een goede procesorde zou zijn als de grondslag van de vordering, basis van de rechtsstrijd tussen partijen, in cassatie nog zou kunnen worden gewijzigd en aangevuld.