Uitspraak
12 juni 1987.
Hoge Raad
De vrouw vorderde na echtscheiding een aandeel in de waardevermeerdering van twee echtelijke woningen die op naam van de man stonden, deels gefinancierd met haar geld. De rechtbank kende haar een deel toe op grond van ongerechtvaardigde verrijking, maar niet voor waardevermeerdering. Het hof bekrachtigde dit oordeel.
De vrouw stelde cassatie in, stellende dat haar aanspraak niet gebaseerd kon worden op onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking, maar op de eisen van de goede trouw. De Hoge Raad bevestigde dat vergoedingsrechten tussen echtgenoten bij uitsluiting van gemeenschap in principe beperkt zijn tot terugbetaling van het oorspronkelijk verschafte bedrag zonder rente of waardevermeerdering.
Echter erkende de Hoge Raad dat uitzonderingen mogelijk zijn wanneer onvoorziene omstandigheden, zoals een uitzonderlijke waardestijging van de woning, het billijk maken dat ook een aandeel in waardevermeerdering wordt toegekend. Het hof had dit onvoldoende gemotiveerd en daarom werd het arrest vernietigd en verwezen naar een ander hof voor herbeoordeling.
De Hoge Raad compenseerde de proceskosten en benadrukte dat de goede trouw tussen echtgenoten ook na uitsluiting van gemeenschap een rol kan spelen bij vergoedingsrechten, met name bij aanzienlijke waardestijgingen van onroerend goed.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander hof voor herbeoordeling van de vordering op grond van de goede trouw.