Conclusie
op dit puntin NJ 1983, 197 werd beslist dat het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen tot het oordeel is kunnen komen:
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak werd verdachte in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van moord, ondanks dat hij niet lijfelijk aanwezig was bij het plegen van het delict. Verdachte stelde zich in cassatie op het standpunt dat hij zich van de moord had gedistantieerd en niet als mededader kon worden aangemerkt omdat hij niet aanwezig was bij het neerschieten van het slachtoffer.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachten, waaronder het beramen van de moord, het mede bepalen van het tijdstip en het verschaffen van het moordwapen, voldoende bewijs vormde voor medeplegen. De geestelijke distantie van verdachte werd door het hof niet aannemelijk geacht.
De Hoge Raad bevestigde dat medeplegen ook kan worden aangenomen wanneer de verdachte niet lijfelijk aanwezig is op de plaats van het misdrijf, wat een belangrijke ontwikkeling is in de strafrechtspraak omtrent zware delicten. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot negen jaar gevangenisstraf bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot negen jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van moord blijft in stand.