Conclusie
Middel Ibetreft rov. 3, eerste alinea, van de beschikking a quo waarin het Hof vooropstelt dat de aan het ambt van notaris verbonden
Onderdeel 2 van middel Igaat er, evenals de volgende middelen, van uit dat ook bij een verhoor in faillissement of surséance van betaling in beginsel een functioneel verschoningsrecht geldend kan worden gemaakt.
Middel IIbestrijdt 's Hofs opvatting omtrent het verschoningsrecht van de notaris op drie punten: in de
onderdelen 1 en 2wordt aangevoerd dat het verschoningsrecht zich niet verder uitstrekt dan tot de wetenschap welke de notaris als zodanig is toevertrouwd, en dat het Hof daarbij een onjuist criterium heeft aangelegd door de notaris slechts dan het zwijgrecht te ontzeggen "wanneer buiten redelijke twijfel staat dat met de gevraagde getuigenis niet wordt getreden in de vertrouwenssfeer van zijn ambt"; en
onderdeel 3acht rechtens onjuist 's Hofs opvatting dat "slechts in zeer uitzonderlijke situaties denkbaar is dat het belang van de waarheidsvinding hoe dan ook moet prevaleren boven het belang dat het ambtsgeheim bewaard blijft", waarbij het Hof afweging van "de in het concrete geval gemoeide, tegenstrijdige belangen" verwerpt.
onderdeel 1opgemerkte, dat een verschoningsrecht slechts bestaat t.a.v. hetgeen aan een geheimhouder als zodanig is toevertrouwd, d.i. in vertrouwen is meegedeeld, zie art. 1946 lid 2 sub Pro 3° BW: "alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd", waarbij verzoekers wijzen op HR 12-12-1958 NJ 1961, 270 DJV. Inmiddels is ook gepubliceerd het arrest HR 22-6-1984 RvdW 1984, 126, waar het ging om een door een advocaat op verzoek van zijn cliënt tot diens bijstand bijgewoonde bespreking, die was gericht op het tot stand komen van een overeenkomst, maar daartoe niet heeft geleid. Uw Raad ging toen uit van het bestaan van een verschoningsrecht van een advocaat, en besliste dat in dit geval de inhoud van de bespreking heeft te gelden als aan de advocaat als zodanig toevertrouwd in de zin van art. 1946 BW Pro. Zo er echter in het onderhavige geval al in het algemeen mag worden uitgegaan van het bestaan van een aan een notaris toekomend verschoningsrecht, dan nog is dit hier in zoverre anders, dat het betreft volmachten tot hypotheekverlening die wèl tot stand zijn gekomen (getekend).
onderdeel 2acht ik doeltreffend: naar ik meen gaat het te ver om het oordeel, of de gevraagde getuigenis wel als zodanig toevertrouwde wetenschap betreft, zozeer in handen te laten van degene die zich in het proces op een zwijgrecht beroept, en dit oordeel van de betrokkene door de rechter slechts zo marginaal te laten toetsen als het Hof aangeeft. In art. 1946 BW Pro is voor deze opvatting in elk geval, naar ik meen, geen steun te vinden, noch in de rechtspraak van Uw Raad (vergl. in HR 8-1-1982 NJ 1982, 423, p. 1446 rk. : "Dit moet worden beoordeeld - door de notaris en zo nodig door de rechter ......"), en evenmin in die van het Europese Hof (HJEG 18-5-1982 NJ 1983, 150 rov. 29-31). Ook Sasse schrijft (1.c. p. 622 rk.): "Wordt de notaris in rechte om getuigenis gevraagd, dan zal uiteindelijk de rechter beslissen of het ambtsgeheim standhoudt".
onderdeel 3: ook naar mijn inzicht is het Hof van een rechtens onjuist standpunt uitgegaan, en heeft het bij de beoordeling van het beroep op het verschoningsrecht een onjuiste maatstaf aangelegd, en ten onrechte nagelaten de daarbij betrokken belangen voldoende tegen elkaar af te wegen.
Middel IIIbevat een aantal motiveringsklachten, die naar mijn mening geen doel treffen. Onder
A 1wordt aangevoerd dat onbegrijpelijk is hoe het Hof heeft kunnen oordelen dat te dezen niet buiten redelijke twijfel staat, dat met de gevraagde getuigenis niet wordt getreden in de vertrouwenssfeer van Maas' ambt. De redenering is, als ik goed zie, deze. Het Hof gaf op p. 3 blijk van het oordeel dat "de notaris alleen dan het zwijgrecht (dient) te worden ontzegd, wanneer buiten redelijke twijfel staat dat ......" enz., of kort gezegd: geen zwijgrecht als vaststaat dat er geen geheim is. En het Hof kent wèl een zwijgrecht toe, dus moet de getuigenis wel gegevens betreffen waarvan buiten twijfel staat dat ze vertrouwelijk zijn; en dit is onbegrijpelijk nu zowel de Rechter-Commissaris als de bewindvoerders het vertrouwelijk zijn van de gegevens juist wel in twijfel hadden getrokken.
Onderdeel A2betoogt dat het Hof niet had mogen voorbijgaan aan het verweer van verzoekers dat de vennootschappen geen belang meer hadden bij het zwijgrecht van de notaris en hem dan ook uit zijn zwijgplicht hadden ontslagen.
Onderdeel A3zal evenmin kunnen slagen: de beslissing dat de gestelde vragen kunnen leiden tot "ontvouwing van geheim te houden gegevens", steunt klaarblijkelijk op 's Hofs overweging: "Voorts zal een getuigenis ..... omtrent hetgeen slechts in verwijderd verband staat ...... wellicht toch datgene kunnen onthullen, wat nu juist geheim had behoren te blijven. Zelfs ...... " enz. Men behoeft het daarmee niet eens te zijn (zie boven sub 14), maar onbegrijpelijk lijkt het mij niet.
onderdeel III B: het Hof is nu eenmaal van oordeel dat het belang van de waarheidsvinding slechts in zeer uitzonderlijke gevallen "hoe dan ook" (dat is, naar ik meen, in ieder geval, zonder nadere afweging) moet prevaleren boven het belang van het bewaard blijven van het ambtsgeheim, en het acht een zodanig uitzonderlijk geval in casu, waar die waarheidsvinding "alleen van belang is om uit te maken welke crediteuren bij liquidatie recht hebben op de opbrengst van bepaalde activa" niet aanwezig. Daargelaten of dit oordeel juist is (zie boven sub 15), de verwoording ervan lijkt wel voldoende duidelijk.