Conclusie
’in conventie: 1. ten onrechte overweegt de Rechtbank, dat subrogratie geen wijzen van eigendomsovergang is, zodat het recht tot revindicatie niet aan de gesubrogeerde, doch slechts aan de eigenaar toekomt;
verbintenis(art. 1417 aanhef Pro en sub 1° BW) — en
dusniet als wijze van eigendomsovergang — drieërlei: ten eerste treedt de betalende derde niet alleen in de betaalde schuldvordering maar ook in de daaraan verbonden (zakelijke) nevenrechten (vgl. Asser-Rutten I — 1978 — p. 342 e.v., vooral p. 345–346); ten tweede is art. 284 K. geen toepassing van art. 1438 BW Pro ( B.J.C. Loder, RM 1895 p. 616; J.G.L. Nolst Trenité, ‘’Zeeverzekering’’, 1e stuk — 1926 — p. 694; Dorhout Mees, Tijdschrift voor Privaatrecht 1972 p. 35–36; Bonneur t.a.p., p. 95; Brahn, NJB 1976 p. 731; HR 30 januari 1931, NJ 1931, 764 m.n. E.M.M.; HR 19 januari 1933, NJ 1933, 1757, m.n. E.M.M.; HR 3 januari 1936, NJ 1936, 78 m.n. E.M.M.): de verzekeraar betaalt een
eigen, uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende schuld; en ten derde is de cessie, hoewel wetssystematisch een zakenrechtelijk instituut, tevens een wijze van crediteursvervanging en als zodanig verbintenisrechtelijk van aard; zie Brahn, a.w. p. 730. Voorts verliest het beroep op art. 639 BW Pro — waarin noch subrogatie noch het ‘’treden in alle de regten’’ van art. 284 K. uitdrukkelijk wordt genoemd — uit het oog dat de opsomming van art. 639 uiterst Pro onvolledig is (Asser-Beekhuis II, ‘’Zakenrecht’’ — 1977 — p. 78–79; Brahn, p. 730). Met laatstgenoemde schrijver hecht ik wel enige waarde aan de omstandigheid, dat art. 284 K. rept van rechten ‘’ter zake van’’ de schade. Daartoe behoort niet het eigendomsrecht, dat immers reeds vòòr het intreden van de schade en geheel onafhankelijk daarvan bestond (aldus de laatstvermelde vindplaats Scheltema-Mijnssen). En anders dan bij pand of hypotheek kan men bij (niet-fiduciaire) eigendom niet spreken van een ‘’nevenrecht’’ ten opzichte van de vordering tot schadevergoeding van de eigenaar jegens de dief; het eigendomsrecht is niet accessoir aan maar de basis van bedoeld recht op schadevergoeding. Beslissend acht ik evenwel het argument dat m.i. eveneens doorslaggevend moet zijn in de hierna te bespreken controverse nopens de vraag of de bevoegdheid tot revindicatie behoort tot de in art. 284 K. bedoelde ‘’regten’’, nl. dat de ratio van deze wetsbepaling meebrengt de categorie van ‘’regten’’ te beperken tot die rechten die zonder art. 284 K. verloren zouden gaan als gevolg van de betaling door de verzekeraar. En het eigendomsrecht gaat, anders dan het op art. 1401 BW Pro steunende recht op schadevergoeding in geld, uiteraard niet verloren door het betalen van de verzekerde som. Ik kom hierop nog terug.
zelfstandigvereiste voor eigendomsoverdracht in wezen niets over en is daarom m.i. onverenigbaar met HR 1 november 1929 voornoemd en evenmin te zien als toepassing van vermeld art. 3.5.8; wèl van art. 3.4.2.7a eerder vermeld. Iets sterker lijkt Rechtbank Amsterdam 22 november 1977, vernietigd door het eerder vermelde Hof Amsterdam 1 december 1978; in die zaak stond, anders dan in de Haarlemse, tenminste nog vast dat de bestolen eigenaar het kentekenbewijs en de autosleutels aan de verzekeraar had afgegeven en aldus althans nog een restant van ‘’macht’’ (‘’bezit’’) had overgedragen.
grondslagin (onvrijwillige) eigendomsverkrijging maar is zelf een
voorwaardevoor het treden in de rechten van de verzekerde. De rol van de eigendomsovergang bij abandonnement (aan de verzekerde ter beschikking staand middel om langs eenvoudige weg de gehele verzekerde som uitbetaald te krijgen: een soort verkoop-optie) is dan ook geheel verschillend van die van de eigendomsovergang bij toepasselijkheid van art. 284 (aan de verzekeraar ter beschikking staand middel om buiten de verzekerde om verhaal op de laedens, althans op de bezitter of houder, te nemen). Het afschaffen van eerstgenoemde sluit het aanvaarden van laatstgenoemde geenszins uit.
als zodanigniet tot vergoeding van schade maar zijn slechts rechten op de zaak resp. op afgifte van de zaak. In deze zin ook P.A. Stein, c.s., WPNR 5422.
onderdeel 5van het middel m.i. terecht voorgesteld.
welmogelijk is volgens Meijers, WPNR 2962, Asser-Kamphuisen — 1960 — p. 140, I. van Creveld, ‘’Cessie van schuldvorderingen’’ 2e druk — 1953 — p. 19 (in een behoedzame formulering), Kollewijn, ‘’Tien jaren …..’’, p. 212–213 (zolang er een reële behoefte aan bestaat juist omdat levering niet mogelijk is), Gerbrandy t.a.p., Asser-Rutten I — 1978 — p. 269, en Scheltema-Mijnssen, p. 252, benevens Rechtbank 's-Gravenhage 12 maart 1943, NJ 1943, 627 (met een beroep op art. 1504 BW Pro), en Rechtbank Utrecht 7 mei 1952, NJ 1953, 276, beide eerder genoemd; doch
nietmogelijk volgens Suyling, 5e stuk nrs. 7 en 179, Koster, t.a.p., Brahn p. 733–734 en P.A. Stein c.s., WPNR 5422, alsmede art. 3.11.9 NBW en Rechtbank Leeuwarden 15 december 1960, NJ 1961, 330 (‘’overgedragen’’) en Hof Amsterdam 17 januari 1975, NJ 1976, 79.
Onderdeel 4is m.i. niet gegrond voor zover het ervan uitgaat dat de verzekeraar geen schade lijdt door uitkering van de verzekeringspenningen, gelijk uit het voren betoogde moge volgen. Wel wordt naar mijn mening in dit onderdeel terecht geklaagd over strijd tussen 's Hofs opvatting en art. 284 K., dat slechts de rechten ter zake van de schade, waartoe het eigendomsrecht en de revindicatie niet behoren, doet overgaan op de verzekeraar. In wezen is dit dezelfde klacht als die van onderdeel 5. De
onderdelen 1, 2 en 3kunnen bij gegrondbevinding van de onderdelen 4 (ten dele) en 5 in beginsel onbesproken blijven, nu immers — zoals nader zal worden betoogd — vernietiging zal moeten volgen. Overigens meen ik dat de onderdelen 1, 2 en 3 niet tot cassatie kunnen leiden.
Onderdeel 1mist feitelijke grondslag voor zover het er van uitgaat dat het Hof tot de schade ‘’bestaande in het gemis van die auto’’ (eerste rechtsoverweging van het bestreden arrest) niet heeft gerekend de schade veroorzaakt door de noodzaak voor de bestolene tijdelijk een vervangende auto te bekostigen. Voorts miskent het onderdeel dat het Hof met de (buitenwettelijke) notie ‘’verzekerde waarde’’ kennelijk op het oog heeft een verzekerde som die de waarde van het verzekerde goed niet overtreft.
Onderdeel 2verliest uit het oog dat, naar 's Hofs kennelijke bedoeling, het ontnemen van (het gebruik van) een zaak aan de eigenaar door een dief het recht tot revindicatie, gebaseerd op het eigendomsrecht, doet ontstaan. Wat
onderdeel 3betreft, dat ziet er m.i. aan voorbij dat het handhaven van de draagplicht van de laedens meebrengt dat de verzekeraar, die de verzekerde som heeft uitgekeerd aan de verzekerde, tot het beloop van die uitkering verhaal kan nemen op de laedens en aldus wordt ‘’hersteld’’ in de schade — in de zin van vermogensvermindering — door hem (verzekeraar) geleden als gevolg van de uitkering.