ECLI:NL:PHR:1956:1
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid van Bovag-vrijwaringsclausule wegens strijd met goede zeden en misbruik van omstandigheden
In deze zaak staat de vraag centraal of een overeenkomst of clausule nietig kan zijn wegens een onzedelijke oorzaak, met name wanneer deze tot stand is gekomen onder dwang of misbruik van omstandigheden. De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de juridische grondslagen en literatuur omtrent onzedelijke oorzaak en de relatie met wilsgebreken.
De casus betreft de zogenaamde Bovag-clausule, die een klant verplicht de garagehouder te vrijwaren tegen aansprakelijkheid jegens derden, ook bij ernstige tekortkomingen van het garagepersoneel. Het hof had geoordeeld dat deze clausule strijdig is met de goede zeden en daarom nietig is. De Hoge Raad nuanceert dit oordeel en stelt dat het hof onvoldoende feiten had vastgesteld om zonder meer tot die conclusie te komen, met name over de uitleg van de clausule en de mate van druk waaronder de klant stond.
De Hoge Raad benadrukt dat de druk en de onevenredige belasting van een partij aanzienlijk moeten zijn om tot nietigheid te leiden en dat de clausule, mits gematigd uitgelegd, niet per definitie onzedelijk is. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor nader onderzoek naar de clausule en bijzondere omstandigheden, zodat een definitief oordeel kan worden geveld.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de geldigheid van de Bovag-clausule.