Belanghebbende, een ondernemer in Aruba, betwistte de wijze van berekening van de belasting op bedrijfsomzetten (BBO) over de periode januari tot en met april 2007. Zij stelde dat de BBO niet over de door haar aan klanten doorberekende BBO-bedragen (3% over de netto-vergoeding) moest worden berekend, maar slechts over de netto-vergoeding zelf. De Inspecteur was van mening dat de BBO over de volledige vergoeding, inclusief de doorberekende BBO, verschuldigd was.
De Raad van Beroep stelde vast dat de LBBO bepaalt dat de BBO wordt geheven over de totale bedrijfsomzet, welke bestaat uit alle vergoedingen die een ondernemer ontvangt voor zijn prestaties. De doorberekende BBO maakt volgens de Raad deel uit van deze vergoeding. De wetgever heeft bewust gekozen voor een cumulatief stelsel, waarbij doorberekende BBO ook belast is, wat leidt tot een effectieve belasting van circa 3,1% over de netto-vergoeding.
Belanghebbendes beroep op de Nederlandse Wet op de Omzetbelasting 1968 faalde, omdat deze een ander, niet-cumulatief stelsel kent. Ook het argument dat de doorberekende BBO een doorlopende post of uitschot van belasting zou zijn, werd verworpen omdat de relatie tussen ondernemer en fiscus anders is dan bij doorlopende posten. De Raad concludeerde dat de BBO over de gehele vergoeding, inclusief de doorberekende BBO, verschuldigd is en verklaarde het beroep ongegrond.