ECLI:NL:ORBBNAA:2003:BU4373

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)

Datum uitspraak
6 mei 2003
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2000/271
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • van Gijn
  • Ilsink
  • van Ballegooijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Landsverordening winstbelasting 1940Art. 36 Landsverordening winstbelasting 1940
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid beroep en winstcorrectie bij niet-afgeloste ondernemingsschulden in liquidatie

In deze zaak staat centraal of het beroep van appellante tegen een navorderingsaanslag winstbelasting 1995 ontvankelijk is en of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. De Inspecteur had een brief van appellante als bezwaarschrift aangemerkt, maar de Raad stelt dat dit als beroepschrift had moeten worden behandeld en doorgezonden. Hierdoor is het beroep ontvankelijk en kan de Raad het materiële geschil beoordelen.

Appellante is sinds 1991 inactief en bevindt zich in staat van liquidatie. Er is een langlopende schuld aan een gelieerde vennootschap, E N.V., die door de schuldeiser is afgewaardeerd tot nihil. De Inspecteur stelt dat deze schuld niet meer hoeft te worden afgelost en dat dit leidt tot een vermogensvermeerdering die als winst moet worden beschouwd volgens de Landsverordening winstbelasting 1940.

De Raad volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad en oordeelt dat het enkele feit dat appellante in liquidatie is, geen reden is om de schuld vrij te laten vallen ten gunste van de winst. Omdat niet is vastgesteld dat de schuld niet of niet volledig hoeft te worden voldaan, is de navorderingsaanslag terecht opgelegd. De beschikking op bezwaar wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ontvankelijk verklaard en de beschikking op bezwaar en navorderingsaanslag worden vernietigd.

Uitspraak

Beschikking van 6 mei 2003, nr. 2000/271
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Sint Maarten,
inzake:
belanghebbende
tegen
de Inspecteur der Belastingen
1. Loop van het geding
1.1. Namens de Inspecteur is bij appellante van 10 februari 1997 tot 30 september 1998 een boekenonderzoek naar – onder meer – de aangifte winstbelasting 1995 ingesteld. Dat onderzoek is op laatstgenoemde datum afgerond met een controlerapport dat aan (de toenmalige adviseur van) appellante is gezonden. Die adviseur heeft op dat rapport gereageerd bij brief van 12 november 1998, die op 11 december 1998 bij de Inspecteur is binnengekomen. Inmiddels had de Inspecteur appellante een navorderingsaanslag in de winstbelasting voor het jaar 1995, gedagtekend 30 november 1998, opgelegd naar een belastbaar bedrag van NAƒ 268.600, zulks overeenkomstig het voorstel van de controlerend ambtenaar. Appellante heeft bij brief van 6 april 2000 bij de Inspecteur bezwaar aangetekend tegen de navorderingsaanslag. De Inspecteur reageerde bij brief van 29 augustus 2000 op de brief van 12 november 1998 met de mededeling dat hij geen reden zag van standpunt te veranderen en dat de aanslagen voor – onder meer – appellante gehandhaafd blijven. Op de brief van 6 april 2000 is niet afzonderlijk gereageerd.
1.2. Appellante is tegen de brief van de Inspecteur van 29 augustus 2000, die door haar als een afwijzende beschikking op bezwaar is aangemerkt, op 27 oktober 2000 in beroep gekomen bij de Raad. Het beroepschrift is bij brief van 29 mei 2001 aangevuld. De zaak is op de rol gezet van 15 april 2002, maar toen niet inhoudelijk behandeld; wel heeft de gemachtigde van appellante toen een pleitnotitie overgelegd. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 7 april 2003, waar beide partijen – deugdelijk vertegenwoordigd – zijn verschenen. De Inspecteur heeft een pleitnota, met bijlagen, overgelegd.
2. Vaststaande feiten
2.1. Appellante is sedert 1991 inactief. Zij heeft geen bezittingen meer. De passiva op haar balans bestaan uit het aandelenkapitaal, geleden verliezen en een langlopende schuld aan een gelieerde vennootschap, E N.V. De schuld bedroeg per ultimo 1995 NAƒ 268.685. De crediteur heeft de vordering afgewaardeerd tot nihil.
2.2. Op 14 oktober 1996 heeft appellante opgaaf gedaan in het Handelsregister dat
this company was liquidated since december 1993.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante ontkend dat sprake is van een faillissement.
3. Omschrijving geschil en standpunten van partijen
In geschil is of appellante in haar beroep kan worden ontvangen, en zo ja, of de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. Appellante beantwoordt beide vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
4. Overwegingen omtrent het geschil
4.1. De Raad heeft de Inspecteur ter zitting voorgehouden dat, gelet op de inhoud en de redactie van de brief van de Inspecteur van 29 augustus 2000, die brief in wezen een beschikking op een bezwaarschrift is en de Inspecteur dus klaarblijkelijk de brief van (de toenmalige adviseur van) appellante van 12 november 1998 - mede gelet op het tijdstip waarop die brief bij de Inspecteur is ingekomen – als een bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag heeft aangemerkt. De Inspecteur heeft die lezing onderschreven.
4.2. Het bepaalde in art. 36 Landsverordening Pro winstbelasting 1940 bracht indertijd mee dat tegen een navorderingsaanslag geen bezwaar open stond bij de Inspecteur doch rechtstreeks beroep bij de Raad kon worden ingesteld. Het door de Inspecteur als bezwaarschrift aangemerkte geschrift had, gelet op de inhoud ervan, als beroepschrift naar de Raad moeten worden doorgezonden. Zou de Inspecteur zulks hebben gedaan zo spoedig mogelijk nadat het geschrift bij hem was ingekomen, dan zou het beroepschrift tijdig zijn ingediend. Mitsdien kan appellante in haar beroep worden ontvangen, moet de beschikking van 29 augustus 2000 op bezwaar worden vernietigd en kan het materiële geschil door de Raad worden beslecht.
4.3. De Inspecteur stelt dat appellante niet meer in staat is om haar schuld aan E N.V. af te lossen, zodat de schuld als kwijtscheldingswinst tot het resultaat behoort. Appellante betwist deze correctie; volgens haar heeft de schuldeiser haar vordering weliswaar geheel afgewaardeerd, maar niet prijsgegeven.
4.4. Indien vaststaat of zo goed als zeker is dat een ondernemer bepaalde ondernemingsschulden niet of niet volledig behoeft te voldoen, treedt daardoor voor die ondernemer een vermogensvermeerdering op, die als winst in de zin van art. 4, lid 1, Landsverordening op de winstbelasting 1940 moet worden beschouwd (vgl. HR 18 oktober 2002, BNB 2003/44). Nu te dezen gesteld noch gebleken is dat appellante haar schuld aan E N.V. niet of niet volledig behoeft te voldoen, is het enkele feit dat zij zich in staat van liquidatie bevindt geen reden om de schuld te laten vrijvallen ten gunste van de winst. Het beroep is dus gegrond.
4.5. Mitsdien moet alsvolgt worden beslist.
5. Beslissing
De Raad vernietigt de beschikking van 29 augustus 2000 op bezwaar, alsmede de navorderingsaanslag.
mrs. van Gijn, Ilsink en van Ballegooijen