Uitspraak
zitting houdende in Aruba,
gemachtigde [A],
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd voor de jaren 2001 tot en met 2004 wegens niet opgegeven rente-inkomsten. Na bezwaar en gedeeltelijke vermindering van de aanslagen en boetes, kwam het geschil in beroep bij de Raad van Beroep.
De kern van het geschil betrof de vraag of navordering mogelijk was vanwege een nieuw feit of kwade trouw, en of sprake was van ongelijke behandeling door de Inspecteur. Belanghebbende stelde dat er geen nieuw feit was en dat het destijds gebruikelijk was rente-inkomsten niet op te geven, terwijl de Inspecteur juist kwade trouw aannam.
De Raad oordeelde dat de Inspecteur terecht navordering toepaste omdat belanghebbende te kwader trouw handelde door de rente-inkomsten bewust niet te vermelden. Het gebruikelijk niet opgeven kon niet als rechtvaardiging dienen, en het vertrouwen op de definitieve aanslagen was niet gerechtvaardigd. De stelling van ongelijke behandeling werd onvoldoende onderbouwd geacht.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee de navorderingsaanslagen en boetes.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen wordt ongegrond verklaard wegens kwade trouw bij het niet opgeven van rente-inkomsten.