Uitspraak
zitting houdende in Aruba,
gemachtigde [A],
1.Het procesverloop
2.De tussen partijen vaststaande feiten
eenvan de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende had in september 2009 aangifte gedaan van invoer van vruchtensappen met de goederencode 20.09, welke later door de Inspecteur werd gecorrigeerd naar 22.02. Dit leidde tot naheffing van te weinig betaalde invoerrechten.
Belanghebbende voerde aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de door de douane geaccepteerde code correct was en dat naheffing ruim een jaar na betaling onrechtmatig en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel was. De Inspecteur stelde dat de aangever zelf verantwoordelijk is voor de juiste goederencode en dat de douane het recht heeft om fouten te corrigeren.
De Raad oordeelde dat de naheffing tijdig was binnen de wettelijke termijn van een jaar en dat de douane terecht de correctie kon uitvoeren na fysieke controle. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel faalde omdat de wetgever de mogelijkheid tot naheffing binnen een jaar expliciet heeft geaccepteerd.
Ook het motiveringsbeginsel werd besproken, maar het ontbreken van een nadere motivering in de uitnodigingen tot betaling leidde niet tot vernietiging van de naheffing. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffing van te weinig betaalde invoerrechten wordt ongegrond verklaard.