ECLI:NL:ORBAACM:2026:6

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AUA2024H00378
Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 LmaArt. 84 LmaArt. 87 LmaArt. 118a Lma
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging disciplinair ontslag wegens ernstig plichtsverzuim bij Dienst Brandweer Aruba

De zaak betreft het hoger beroep van een voormalig lid van het managementteam van de Dienst Brandweer Aruba tegen zijn disciplinaire ontslag door de gouverneur wegens ernstig plichtsverzuim. Het plichtsverzuim omvatte onder meer onregelmatige verkoop van dienstgoederen, het verrichten van nevenactiviteiten zonder toestemming en oneigenlijk gebruik van diensttijd.

Na een intern disciplinair onderzoek, dat begon met een toegangsontzegging in oktober 2020 en een schorsing in januari 2021, werd het ontslagbesluit op 1 februari 2024 genomen. Het Gerecht in Ambtenarenzaken had het bezwaar van appellant tegen het ontslag ongegrond verklaard, waarbij het ernstige plichtsverzuim werd vastgesteld en de straf van onvoorwaardelijk ontslag passend werd geacht.

In hoger beroep voerde appellant meerdere preliminaire verweren aan, waaronder onzorgvuldigheid van het onderzoek, onwettigheid van het feitenonderzoek en verjaring. De Raad van Beroep verwierp deze verweren en onderschreef het oordeel van het Gerecht. De Raad benadrukte dat aan ambtenaren in leidinggevende functies hoge eisen worden gesteld en dat het handelen van appellant het aanzien van het ambt en het vertrouwen in de dienstleiding ernstig heeft geschaad.

Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de Raad bevestigde het ontslagbesluit. De disciplinaire straf werd niet als onevenredig beschouwd gezien de ernst van het plichtsverzuim.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het disciplinaire ontslag wordt bevestigd.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 9 februari 2026
Zaaknummer: AUA2024H00378

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA

Uitspraak

op het hoger beroep van:

[Appellant]

appellant ([appellant]),
gemachtigde: mr. R.P. Lee, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van
2 september 2024, AUA202400754 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[appellant]
en

de Gouverneur van Aruba,

geïntimeerde (gouverneur),
gemachtigde: mr. L.J. Pieters, advocaat.

Procesverloop

[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 15 december 2025. De gemachtigde van [appellant] is verschenen. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
1. De zaak gaat over de vraag of de gouverneur [appellant] terecht disciplinair heeft ontslagen. Voor de feiten en omstandigheden die bij de beantwoording van deze vraag belangrijk zijn, verwijst de Raad allereerst naar de aangevallen uitspraak, gepubliceerd onder nummer: ECLI:NL:OGAACMB:2024:72. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1. [
appellant] werkte sinds 4 augustus 2003 bij de Dienst Brandweer Aruba (DBA) in de functie van Hoofd preventie. De gouverneur heeft een intern disciplinair onderzoek ingesteld naar mogelijk plichtsverzuim van [appellant] en drie collega’s. [Appellant] vormde samen met deze drie collega’s het managementteam van de DBA (MT).
1.2.
In het kader van dat onderzoek heeft de gouverneur [appellant] vanaf 23 oktober 2020 voor zes weken de toegang tot het werk ontzegd. De toegangsontzegging is met zes weken verlengd.
1.3.
Bij besluit van 14 januari 2021 is [appellant] met toepassing van artikel 87, eerste lid, onder c, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) in het belang van de dienst geschorst.
1.4.
De gouverneur heeft [appellant] op 11 januari 2023 in de gelegenheid gesteld te reageren op de hem verweten gedragingen. [Appellant] heeft op 20 januari 2023 zijn reactie gegeven.
1.5.
De gouverneur heeft [appellant] met het Landsbesluit van 1 februari 2024 (ontslagbesluit) met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Hieraan heeft de gouverneur ten grondslag gelegd dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Subsidiair heeft de gouverneur [appellant] met ingang van vijf dagen na 1 februari 2024 ontslag verleend op grond van functionele ongeschiktheid.
1.6. [
Appellant] heeft tegen het ontslagbesluit bezwaar gemaakt.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Gerecht het volgende overwogen.
2.1.
Van onzorgvuldigheid van het disciplinaire onderzoek is volgens het Gerecht geen sprake. Aan het disciplinair ontslag van [appellant] ligt een zelfstandig disciplinair onderzoek ten grondslag, dat los staat van het strafrechtelijk onderzoek naar zijn collega [Y]. Er is inzage gevraagd en verkregen in het strafdossier bij het Openbaar Ministerie (OM), maar dat betreft alleen collega [Y].
2.2. [
Appellant] worden zes gedragingen verweten. Het Gerecht heeft ervoor gekozen om drie gedragingen te bespreken en aan de hand daarvan de vraag te beantwoorden of, gelet op de aard en de ernst van die gedragingen, deze gedragingen samen kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Voor deze aanpak heeft het Gerecht verwezen naar in de aangevallen uitspraak genoemde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.
2.3.
De door het Gerecht besproken gedragingen die [appellant] worden verweten gaan over onregelmatige verkoop van dienstgoederen, nevenactiviteiten zonder toestemming en oneigenlijk gebruik van diensttijd. Het Gerecht heeft geoordeeld dat [appellant] zich wat elk van deze gedragingen afzonderlijk betreft heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Het samenstel van deze verwijtbare gedragingen en nalaten heeft het Gerecht als ernstig plichtsverzuim gekwalificeerd. Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim is volgens het Gerecht het opleggen van de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag passend en geboden. Voor [appellant] zijn de gevolgen van een strafontslag groot, maar, afgezet tegen de aard en de ernst van het plichtsverzuim niet onevenredig.
2.4.
Het Gerecht heeft verder vastgesteld dat het disciplinaire onderzoek lang heeft geduurd. Na de toegangsontzegging op 23 oktober 2020 en de op 14 januari 2021 opgelegde schorsing heeft het tot 11 januari 2023 geduurd voordat [appellant] is opgeroepen voor een verantwoordingsgesprek. Na dat gesprek op 20 januari 2023 heeft nader onderzoek plaatsgevonden, waarna op 1 februari 2024 het ontslagbesluit is genomen. Volgens het Gerecht doet zich in dit geval niet de situatie voor dat [appellant] redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een disciplinaire straf zou worden opgelegd. [appellant] wist op 23 januari 2023 dat er aanvullend (disciplinair) onderzoek plaatsvond en moest er dus redelijkerwijs rekening mee houden dat hem alsnog een disciplinaire straf zou worden opgelegd.
Wat heeft [appellant] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3.1. [
Appellant] heeft in hoger beroep zeven preliminaire verweren opgevoerd, waarop de Raad in onderdeel 4 zal ingaan. Ten principale heeft [appellant] min of meer dezelfde gronden aangevoerd, met als conclusie dat het disciplinair onderzoek in zijn totaliteit een uiterst onbetrouwbaar onderzoek is, dat niet in acht dient te worden genomen en waarop het ontslagbesluit niet mag worden gebaseerd. Verder heeft [appellant] een beroep gedaan op verjaring en heeft hij per door het Gerecht besproken gedraging uiteengezet dat en waarom van plichtsverzuim geen sprake is.
3.2. [
appellant] heeft het verzoek gedaan om een schadevergoeding toe te kennen van Afl. 100.000,-
Hoe oordeelt de Raad?
De preliminaire verweren en formele gronden.
4.1.
De Raad volgt [appellant] niet in zijn verweer dat het ontslagbesluit geen wettelijke grondslag heeft, omdat de schorsing van [appellant] op het moment dat het ontslagbesluit werd genomen geen disciplinaire schorsing als bedoeld in artikel 84, aanhef en onder h, van de Lma was. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan het bevoegd gezag een ambtenaar een disciplinaire straf opleggen. De voorwaarde daarvoor is dat de ambtenaar de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt, of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt. Die bevoegdheid wordt niet ingeperkt door andere voorwaarden. Ook niet als het gaat om de straf van onvoorwaardelijk ontslag.
4.2.
Voor het verweer dat de schorsing onredelijk lang heeft geduurd, verwijst de Raad naar overweging 2.4, waarin het door het Gerecht ingenomen standpunt op dit punt is verwoord en waar de Raad het volledig mee eens is.
4.3.
Anders dan [appellant] meent is het door [X] verrichte feitenonderzoek niet onwettig. [X], inspecteur 1e klasse van het Korps Politie Aruba (KPA) heeft op verzoek van de korpschef van de KPA het nieuwe managementteam van de Dienst Brandweer geassisteerd in verband met enkele integriteitsvraagstukken die zien op het handelen van de staf van de DBA. Het enkele feit dat [X] een politieambtenaar is maakt niet dat het feitenonderzoek dat hij heeft verricht moet of kan worden gezien als een onderzoek in het kader van de vervolging van een strafbaar feit, dat is voorbehouden aan het OM. Nu de Raad oordeelt dat het door [X] verrichte feitenonderzoek niet onwettig is, gaat ook het verweer niet op dat het daarna gevolgde aanvullend onderzoek door Departamento di Recurso Humano (DRH) onwettig is.
4.4.
Aan het standpunt van [appellant] dat het nieuwe MT een te grote inspraak zou hebben gehad in het disciplinair onderzoek gaat de Raad voorbij. Na de toegangsontzegging van het voltallige MT kon de gouverneur niet anders dan een nieuw (tijdelijk) managementteam instellen dat als fungerend bevoegd gezag leiding zou moeten geven aan het te verrichten feitenonderzoek en disciplinaire onderzoek. Het nieuwe MT heeft zich daarbij laten ondersteunen door de in 4.3 genoemde, niet bij de BDA werkzame, [X].
4.5.
Het Gerecht heeft bij uitspraak van 24 maart 2025, AUA 202301451, het bezwaar van [appellant] tegen de beschikking van 14 maart 2023 tot afwijzing van zijn verzoek om opheffing van de schorsing gegrond verklaard. Het Gerecht heeft daarbij overwogen dat de gouverneur geen nieuwe beslissing hoeft te nemen op het verzoek van [appellant] van 27 oktober 2021, omdat het Gerecht ambtshalve op de hoogte is van het feit dat aan [appellant] met ingang van 1 februari 2024 de straf van onvoorwaardelijk ontslag is opgelegd en dat met dit strafontslag de schorsing tot een einde is gekomen. [Appellant] heeft gelijk dat de gevolgen van deze uitspraak anders zouden zijn als die uitspraak zou zijn gedaan voordat aan hem de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag zou zijn opgelegd. Maar daarvan is geen sprake. De overige in dit verband door [appellant] naar voren gebrachte argumenten hoeven niet besproken te worden, omdat die uitspraak niet van betekenis is voor de beoordeling van het hoger beroep tegen het strafontslag.
4.6. [
Appellant] kan niet gevolgd worden in zijn opvatting dat het rapport van het feitenonderzoek dat door [X] op 13 november 2020 is uitgebracht, aantoont dat het onderzoek met vooringenomenheid is gedaan. Het feitenonderzoek door [X] was met name gericht om te onderzoeken of er sprake zou zijn van feiten en omstandigheden die aanleiding geven om een disciplinair en of strafrechtelijk onderzoek te laten instellen. Het enkele feit dat op dat moment slechts sprake was van een toegangsontzegging tot het werk, zegt helemaal niets over de (on)partijdigheid en (niet) objectiviteit van het onderzoek.
4.7.
Het beroep op verjaring gaat niet op. [Appellant] beroept zich op artikel 118a van de Lma. Dit artikel ziet uitsluitend op rechtsvorderingen van ambtenaren met betrekking tot bezoldiging, pensioenen en andere geldelijke aanspraken en is niet van toepassing op disciplinaire maatregelen, zoals strafontslag.
De inhoudelijke gronden.
4.8. [
Appellant] heeft per verweten, en door het Gerecht besproken, gedraging aangevoerd waarom hij vindt dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. De Raad verwijst naar de zeer uitvoerig gemotiveerde aangevallen uitspraak, waarin het Gerecht per verweten gedraging heeft uiteengezet over welke informatie de gouverneur beschikte bij het nemen van het ontslagbesluit. Bij elke besproken verweten gedraging heeft het Gerecht uiteengezet dat en waarom die verweten gedraging plichtsverzuim van [appellant] oplevert. Dat wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gegeven voor twijfel aan het oordeel van het Gerecht. Op een enkel aspect zal de Raad hierna ingaan.
Nevenactiviteiten zonder toestemming.
4.9.
Anders dan [appellant] stelt is in het ontslagbesluit, evenals in de verantwoordingsbrief van 11 januari 2021, wel degelijk het verwijt opgenomen dat [appellant] zonder toestemming van de minister nevenactiviteiten heeft verricht als voorzitter van de Stichting Brandweer.
Beroep op onwetendheid.
4.10. [
Appellant] heeft zich op meerdere punten beroepen op onbekendheid met diverse regelingen. Dit beroep doet [appellant] tevergeefs. Van een ambtenaar in een leidinggevende functie, die deel uitmaakt van het MT van een dienst mag verwacht worden dat hij zorgt volledig op de hoogte te zijn van zijn bevoegdheden en van de regelingen die voor zijn functioneren van belang zijn.
Plichtsverzuim en de gevolgen.
4.11.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de gouverneur het door het Gerecht gegeven oordeel onderschreven, dat ook op basis van de drie verweten en door het Gerecht besproken gedragingen gesproken moet worden van ernstig plichtsverzuim, waarvoor de disciplinaíre straf van onvoorwaardelijk ontslag passend en geboden is.
4.12.
Gelet hierop dient de Raad de vraag te beantwoorden of dit standpunt, dat ook het standpunt van het Gerecht is, stand kan houden. Het Gerecht heeft het samenstel van verwijtbare gedragingen en nalaten van [appellant] terecht gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen van het Gerecht dat aan ambtenaren in het algemeen, maar aan de top van de BDA in het bijzonder hoge eisen mogen worden gesteld wat betreft integriteit en betrouwbaarheid. Voor het diensthoofd van de BDA, de commandant, geldt dat in nog hogere mate. Door zijn handelen en nalaten heeft [appellant] het aanzien van het ambt en het vertrouwen in de dienstleiding van de BDA ernstig geschaad. [Appellant] heeft door zijn handelen ook aanzienlijke financiële schade veroorzaakt ten laste van het Land. De Raad herkent het door het Gerecht geschetste beeld dat uit de dossiers van [appellant] en zijn collega’s naar voren komt van ‘… een “onaantastbare” leiding van de dienst brandweer, die geheel hun eigen gang gingen en via vriendendiensten en het overtreden van de regels goed voor zichzelf zorgden.’ De disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim.

Conclusie

5.1.
De slotsom is dat het hoger niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
5.2.
Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden ontslagbesluit in stand blijven wordt het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen.
5.3.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad:
-
bevestigtde aangevallen uitspraak;
-
wijsthet verzoek om veroordeling tot schadevergoeding
af.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning voorzitter, mr. A.H.M. van de Leur en
mr. J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.