De zaak betreft het hoger beroep van een voormalig lid van het managementteam van de Dienst Brandweer Aruba tegen zijn disciplinaire ontslag door de gouverneur wegens ernstig plichtsverzuim. Het plichtsverzuim omvatte onder meer onregelmatige verkoop van dienstgoederen, het verrichten van nevenactiviteiten zonder toestemming en oneigenlijk gebruik van diensttijd.
Na een intern disciplinair onderzoek, dat begon met een toegangsontzegging in oktober 2020 en een schorsing in januari 2021, werd het ontslagbesluit op 1 februari 2024 genomen. Het Gerecht in Ambtenarenzaken had het bezwaar van appellant tegen het ontslag ongegrond verklaard, waarbij het ernstige plichtsverzuim werd vastgesteld en de straf van onvoorwaardelijk ontslag passend werd geacht.
In hoger beroep voerde appellant meerdere preliminaire verweren aan, waaronder onzorgvuldigheid van het onderzoek, onwettigheid van het feitenonderzoek en verjaring. De Raad van Beroep verwierp deze verweren en onderschreef het oordeel van het Gerecht. De Raad benadrukte dat aan ambtenaren in leidinggevende functies hoge eisen worden gesteld en dat het handelen van appellant het aanzien van het ambt en het vertrouwen in de dienstleiding ernstig heeft geschaad.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de Raad bevestigde het ontslagbesluit. De disciplinaire straf werd niet als onevenredig beschouwd gezien de ernst van het plichtsverzuim.