ECLI:NL:ORBAACM:2026:42

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
AUA2025H00202
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
  • A.H.M. van de Leur
  • J. Sybesma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 83, eerste lid, aanhef en onder i, Landsbesluit materieel ambtenarenrechtArt. 98, eerste lid, aanhef en onder f, Landsbesluit materieel ambtenarenrechtArt. 47, eerste lid, Landsbesluit materieel ambtenarenrechtArt. 21 Landsverordening uitgifte eigendommenArt. 22 Landsverordening uitgifte eigendommen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging disciplinair ontslag ambtenaar wegens belangenverstrengeling en plichtsverzuim

De zaak betreft het hoger beroep van een ambtenaar tegen zijn ontslagbesluit door de gouverneur van Aruba, waarbij hem ernstig plichtsverzuim werd verweten. De ambtenaar werkte sinds 2002 bij de Directie Infrastructuur en Planning (DIP) en was betrokken bij de uitgifte en overdracht van erfpachtpercelen.

De gouverneur legde hem primair disciplinair ontslag op wegens belangenverstrengeling, misbruik van bevoegdheden, valsheid in geschrifte en handelen in strijd met de Landsverordening uitgifte eigendommen (LvUE). Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het ontslag niet disproportioneel was.

In hoger beroep betwistte de ambtenaar de feitenvaststelling en de proportionaliteit van het ontslag. De Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de ambtenaar zich schuldig had gemaakt aan belangenverstrengeling en misbruik van bevoegdheden, en dat hij handelde in strijd met het beleid en de wetgeving. Valsheid in geschrifte werd niet bewezen geacht.

De Raad bevestigde dat het plichtsverzuim hem volledig kan worden toegerekend en dat het onvoorwaardelijke ontslag niet disproportioneel is. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden bevestigd.

Uitkomst: Het disciplinair ontslag van de ambtenaar wordt bevestigd wegens ernstig plichtsverzuim en belangenverstrengeling.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 10 juli 2026
Zaaknummer: AUA2025H00202

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA

Uitspraak

op het hoger beroep van:

[Appellant],

wonend in Aruba,
appellant, hierna: [appellant],
gemachtigde: mr. R. Marchena, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van
30 juni 2025, AUA202500523 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellant]
en

De Gouverneur van Aruba,

geïntimeerde, hierna: de gouverneur,
gemachtigde: mr. R. Henriquez.

Procesverloop

[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
De gouverneur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 8 mei 2026.
[appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
1. Deze zaak gaat over de vraag of de gouverneur met het landsbesluit van 22 januari 2025 (ontslagbesluit) [appellant] terecht primair disciplinair ontslag heeft opgelegd, en hem subsidiair eervol ontslag heeft verleend op grond van functionele ongeschiktheid. De Raad beantwoordt deze vraag, net als het Gerecht, bevestigend. De Raad legt dat hieronder verder uit.
Wat ging er aan de zaak vooraf?
2.1. [
[Appellant] werkte vanaf 2002 tot zijn ontslag in 2025 bij de Directie
Infrastructuur en Planning (DIP). Hij was daar eerst werkzaam als baliemedewerker bij de Dienst Domeinbeheer en vanaf 2007, dan wel 2009, als Allround Medewerker Uitgifte Center (UC). Het team UC verricht de intake, administratie, toekenning en administratieve afhandeling van erfpachtaanvragen voor woningbouwdoeleinden. In de functie van Allround Medewerker verleende [appellant] administratieve ondersteuning bij erfpachtverlening.
2.2.
Vanaf 2011 werkte [appellant] als Controleur Toezicht, Controle en Handhaving (TCH). Het team TCH ziet toe op de externe handhaving van wet- en regelgeving ten aanzien van het gebruik van gronden die eigendom zijn van het Land Aruba. Als controleur voerde [appellant] onder andere ter plaatse controles uit.
2.3. [
Appellant] heeft zich volgens de gouverneur in de periode vanaf 31 augustus 2006 tot 20 april 2023 schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. In verband met het daarnaar ingestelde onderzoek is [appellant] op 20 april 2023 de toegang tot zijn werkplek ontzegd, zijn met hem op 8 en 12 mei 2023 gesprekken gevoerd en is [appellant] vanaf 4 juli 2023 geschorst. Op 26 april 2024, aangevuld op 29 augustus 2024, heeft [appellant] zich verweerd tegen de hem in de brief van 10 april 2024 uiteengezette verweten gedragingen.
2.4.
Met het ontslagbesluit van 22 januari 2025 heeft de gouverneur [appellant] primair met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd (art 83, eerste lid, aanhef en onder i, Landsbesluit materieel ambtenarenrecht (Lma)). Subsidiair is [appellant] met ingang van 27 januari 2025 eervol ontslag verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziels-of lichaamsgebreken (artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma).
Wat ligt aan het ontslagbesluit ten grondslag?
3.1.
Aan het ontslagbesluit heeft de gouverneur ten grondslag gelegd dat [appellant] zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, (artikel 47, eerste lid, van de Lma). Volgens de gouverneur heeft [appellant] zich in zijn functies bij DIP schuldig gemaakt aan de volgende gedragingen:
- belangenverstrengeling;
- misbruik maken van zijn bevoegdheden in zijn functies bij DIP;
- plegen van valsheid in geschrifte;
- handelen in strijd met de Landsverordening uitgifte eigendommen (LvUE) -en aanverwante regelgeving.
3.2.
Door dit verwijtbare handelen van [appellant] zijn volgens de gouverneur percelen in erfpacht in strijd met de wet- en regelgeving overgedragen en uitgegeven aan familie en vrienden van [appellant]. De [appellant] verweten gedragingen zien op uitgifte/overdracht van de twee erfpachtpercelen:
- [ adres 1], en
- [ adres 2], en
- op de huur van een perceel, genaamd [adres 3].
Wat is het oordeel van het Gerecht?
4.1.
Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellant] tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Bij de vraag of [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim heeft het Gerecht allereerst - onder 7.2 - overwogen dat hoewel Aruba nog niet een gepubliceerde integriteitscode voor ambtenaren kent, dit niet wegneemt dat
“(…)
ambtenaren zich te allen tijde integer dienen te gedragen en onafhankelijk en onpartijdig dienen te handelen. (…) Belangenverstrengeling kan optreden als de ambtenaar zelf direct of indirect belanghebbende of partij is bij een beslissing waar de ambtenaar invloed op heeft. Dit kan ook het geval zijn als niet de ambtenaar zelf, maar diens partner, kind(eren), vrienden of kennissen of bedrijven waaraan familie of vrienden zijn gelieerd, belang hebben bij die beslissing. Het bevoordelen van gezinsleden, familie, vrienden of kennissen door ambtenaren is strijdig met de vereiste integriteit. (…)”
4.2.
Met inachtneming van deze overweging heeft het Gerecht geoordeeld dat [appellant] als ambtenaar bij DIP niet de vereiste integriteit in acht heeft genomen bij de procedures over de uitgifte van de erfpachtpercelen [adres 1], [adres 2] en bij de huurovereenkomst van [adres 3]. Voor het Gerecht is komen vast te staan dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan de hiervoor onder 3.1 vermelde gedragingen. Het Gerecht heeft er daarbij op gewezen dat [appellant] een eigen verantwoordelijkheid in zijn functies had die hij niet kon afwentelen op zijn leidinggevenden. Hij heeft deze verantwoordelijkheid niet op juiste wijze genomen.
4.3.
Volgens het Gerecht zijn de handelingen en gedragingen van [appellant] ten aanzien van alle drie de percelen aan te merken als ernstig plichtsverzuim. Door het plichtsverzuim kan er geen vertrouwen meer worden gesteld aan het integer handelen van [appellant] in zijn functie. Het Gerecht is verder van oordeel dat [appellant] het plichtsverzuim is toe te rekenen en dat gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim het onvoorwaardelijke disciplinaire ontslag in dit geval niet disproportioneel is.
Wat heeft [appellant] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
5. [Appellant] heeft in hoger beroep aan de hand van de hierna te bespreken gronden betwist dat op grond van deugdelijke feitenvaststelling is komen vast te staan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Hij heeft binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, met toepassing van de geldende werkwijze en met goedkeuring van zijn leidinggevenden gehandeld. Indien sprake zou zijn van plichtsverzuim is het hem niet, dan wel verminderd, toe te rekenen gelet op zijn functie, werkwijze en de niet eenduidig gehanteerde normen binnen DIP. Tot slot heeft [appellant] gesteld dat het onvoorwaardelijk ontslag, de zwaarste disciplinaire sanctie, in zijn situatie disproportioneel is.

Wat is het oordeel van de Raad?

Was het onderzoek zorgvuldig?
6.1. [
Appellant] voert allereerst aan dat het onderzoek naar de hem verweten gedragingen onzorgvuldig en partijdig is geweest. De Raad volgt hem daarin niet. Voor de bruikbaarheid van de onderzoeksresultaten is bepalend of deze berusten op voldoende objectieve en controleerbare gegevens. Uit de stukken blijkt dat de conclusies van het onderzoek zijn gebaseerd op documenten en andere objectieve informatiebronnen. De kritiek van [appellant] op de personen die betrokken waren bij het onderzoek maakt niet dat de onderzoeksbevindingen buiten beschouwing moeten worden gelaten. Overigens heeft [appellant] op de zitting te kennen gegeven dat hij in deze procedure niet de vastgestelde feiten weerspreekt, maar de kwalificatie van die feiten. De Raad zal de onderzoeksbevindingen dan ook betrekken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim dat het disciplinaire ontslag kan dragen.
Heeft [appellant] zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling/misbruik gemaakt van zijn bevoegdheden?
6.1.1.
De Raad stelt vast dat [appellant] vanuit zijn functies bij DIP betrokken was bij een tweetal procedures tot overdracht of uitgifte van erfpachtpercelen aan familieleden.
6.1.2.
De eerste procedure betrof het door de zus van [appellant] in 2011 prijsgegeven recht van erfpacht op het perceel [adres 1], de direct hierop aansluitende uitgave van dit perceel aan zijn dochter en de verkoop van het perceel in 2013 voor Afl. 59.000,- door zijn dochter aan een derde. Uit de stukken leidt de Raad af dat [appellant] de gezamenlijke aanvraag van zijn zus en dochter hiervoor in augustus 2006 in behandeling heeft genomen. Namens zijn dochter was [appellant] aanwezig bij het passeren van de akte van erfpachtuitgifte in oktober 2011. Een van de voorwaarden voor overdracht van het perceel van de dochter aan een derde was dat de woning op het erfpachtperceel minimaal drie jaar moest zijn afgebouwd. In dat licht heeft [appellant] in zijn functie bij DIP op 11 september 2018 een opname bij het perceel van zijn dochter verricht en rapport opgemaakt. Op het formulier heeft hij volstaan met de vermelding dat er een woonhuis op het perceel staat. Omdat niet kon worden vastgesteld of de bouw hiervan al drie jaar of meer gereed was, is op 15 mei 2019 een heropname gedaan door een andere medewerker van DIP. Naar aanleiding hiervan is op het formulier van deze opname vermeld dat de woning bewoonbaar wordt geacht terwijl daarbij is opgemerkt dat er geen water, stroom en beerput was. Op 29 augustus 2019 is een nieuw advies opgesteld op grond van de heropname waarbij is vermeld dat de woning op het perceel compleet was afgebouwd. De overdracht van de verkoop van dit perceel door de dochter van [appellant] aan een derde heeft uiteindelijk plaatsgevonden bij notariële akte in september 2019.
6.1.3.
Ook was [appellant] sterk betrokken bij de overdracht van het perceel [adres 2] aan een familielid in 2007. Hij heeft voor dit familielid, die in die tijd in Nederland woonde, op 12 april 2007 de aanvraag ingediend. [Appellant] heeft op 5 juli 2007 ook de zogenoemde controlelijst bevolking ingevuld. Daarop heeft hij vermeld dat dit familielid haar adres heeft op zijn eigen woonadres. In de overeenkomst tot vestiging van erfpacht van 21 november 2007 is vastgelegd dat de woning op het perceel uiterlijk na verloop van drie jaar geheel moet zijn afgebouwd. Uit onderzoek is gebleken dat de woning op dit perceel in 2019, dus 12 jaar na de overdracht, geheel afgebouwd was.
6.1.4.
De Raad is met het Gerecht van oordeel dat [appellant] in zijn functie van medewerker bij DIP elke bemoeienis met de aanvragen van gezins- of familieleden om overdracht of uitgifte van erfpachtpercelen uit de weg had moeten gaan. Door dat niet te doen heeft [appellant] zich in elk geval schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling dan wel heeft hij misbruik gemaakt van zijn functie. Dat hij met zijn handelen naar hij stelt geen financieel voordeel voor zichzelf nastreefde of heeft gehad, staat los van een oordeel over dit verweten gedrag.
6.1.5.
De stelling van [appellant] dat hij tot 2009 baliemedewerker was en in die functie niet bevoegd was om op aanvragen tot overdrachten te beslissen volgt de Raad niet. De Raad wijst er daarbij op dat het niet gaat om beslissen op aanvragen maar om de hiervoor onder 6.1.2. en 6.1.3. uiteengezette handelingen die [appellant] als ambtenaar van DIP heeft verricht in het kader van de procedures tot overdracht van de twee betrokken erfpachtpercelen.
6.1.6.
Dat [appellant] daarbij handelde binnen de geldende normen en werkwijze op zijn afdeling en met instemming of op verzoek van zijn leidinggevende(n), heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Aan het betoog van [appellant] dat hij in dit licht ten onrechte niet in staat is gesteld getuigen op te roepen gaat de Raad voorbij. Het had op de weg van [appellant] gelegen om verklaringen over te leggen van destijds verantwoordelijke leidinggevenden van [appellant] die zijn standpunt onderbouwden. Hieraan heeft hij niet voldaan. Aan de wel door [appellant] overgelegde verklaringen kan de Raad geen betekenis toekennen. Deze verklaringen zijn namelijk niet opgesteld door zijn direct leidinggevende en zien dan ook niet op het functioneren van [appellant] in de hier van belang zijnde periode, augustus 2006 tot april 2019. [Appellant] heeft niet dan wel onvoldoende toegelicht waarom aan deze verklaringen desondanks betekenis toe moet worden gekend.
6.1.7.
De Raad merkt nog op dat de gouverneur bij de verweten belangenverstrengeling door [appellant], anders dan het Gerecht heeft overwogen, niet in aanmerking heeft genomen dat de echtgenote van [appellant] de huurovereenkomst ten aanzien van het perceel [adres 3] heeft gesloten.
Heeft [appellant] in strijd gehandeld met wet-en regelgeving?
6.2.1.
Vaststaat dat de dochter van [appellant] vanaf januari 2005 tot en met januari 2016 in Nederland woonde en het familielid, betrokken bij de overdracht van het perceel [adres 2], van september 2002 tot december 2018.
6.2.2.
Het recht van erfpacht wordt verleend onder de in artikel 21 van Pro Landsverordening uitgifte eigendommen (LvUE) opgenomen voorwaarde dat de erfpachter onveranderlijk woonplaats moet kiezen binnen het land. Hieruit kan niet direct worden afgeleid dat de aanvrager feitelijk in Aruba woonachtig moet zijn. Echter, in het destijds geldende en door DIP toegepaste beleid: “Ordo y Prosperidad, un maneho nobo pa otorgamento di tereno” [1] uit april 2002 is op bladzijde 7 onder “Criterionan” vermeld:
“E Criterionan pa personanan por bin na remarca pa haya un pida tereno erfpacht ta como lo siquienta:
(…)
4. E persona mester ta residencia na Aruba y ta mayor di edad.” [2]
6.2.3.
Zoals hiervoor onder 6.2.1. is overwogen, staat vast dat de dochter van [appellant] bij de overdracht van [adres 1] aan haar en het familielid bij de overdracht van [adres 2], geen ingezetenen waren van Aruba. Dit brengt met zich dat zij niet voldeden aan de in het gevoerde beleid vervatte voorwaarde dat alleen een ingezetene van Aruba in aanmerking komt voor een erfpachtperceel.
6.2.4.
De Raad stelt met het Gerecht vast dat [appellant] in de diverse stukken bij de aanvragen om overdracht van de twee erfpachtpercelen heeft voorgewend althans het risico heeft genomen dat de schijn werd gewekt dat zijn dochter en het betrokken familielid op zijn adres woonachtig waren, terwijl zij feitelijk in Nederland woonden. Gelet op het onder 6.2.2. vermelde beleid zijn de erfpachtpercelen in 2007 en 2011 in strijd met het beleid overgedragen. Aan de door [appellant] ter zitting ingenomen stelling dat hij bewust in afwijking van het beleid heeft gehandeld, omdat dit beleid naar zijn mening in strijd is met de LvUE, kent de Raad niet de betekenis toe, die [appellant] daaraan gehecht wil zien. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] deze stelling in het geheel niet heeft onderbouwd, onder meer door te stellen dat hij zijn mening kenbaar heeft gemaakt aan zijn leidinggevende, hij melding heeft gemaakt van het handelen in strijd met het beleid, of dat hij dit in andere gevallen ook heeft gedaan.
6.2.5.
Met het Gerecht oordeelt de Raad dat bij de verkoop van het erfpachtperceel [adres 1] in 2019 aan een derde ten onrechte de indruk is gewekt dat de dochter van [appellant] voldeed aan de voorwaarden uit de notariële akte van erfpachtuitgifte van 18 oktober 2011. Op grond daarvan mocht de dochter van [appellant] pas drie jaar na voltooiing van de bouw van de woning het perceel verkopen. Door toedoen van de door [appellant] opgemaakte rapporten is onduidelijkheid ontstaan over wanneer de woning geheel was afgebouwd. Hieraan doet niet af dat onder het adviesrapport van 19 augustus 2019 zijn initialen niet zijn vermeld. Op grond van de stukken is niet komen vast te staan dat bij de overdracht is voldaan aan deze in de voorwaarden opgenomen termijn. De Raad ziet evenmin aanleiding voor het standpunt van [appellant] dat op een overdracht in 2019 de voorwaarden uit een notariële akte in 2011 geen betekenis meer hebben.
6.2.6.
Voor wat betreft het perceel [adres 2] komt de Raad tot het oordeel dat niet is voldaan aan de termijnen genoemd in de erfpachtvoorwaarden, in samenhang met artikel 22 LvUE Pro. Deze termijnen betreffen de aanvang van de woningbouw op het perceel. Deze termijn is vanaf de overdracht in 2007 aan het betrokken familielid met ongeveer 12 jaar overschreden terwijl [appellant] in zijn functie bij DIP had moeten toezien op naleving. Dit heeft hij niet gedaan en dat is hem aan te rekenen, in het bijzonder omdat hij betrokken was bij de aanvraag tot overdracht. Gelet daarop moest of kon hij op de hoogte zijn van de in de voorwaarden opgenomen bouwtermijnen. Dit klemt te meer omdat het om een familielid van hem ging en het op zijn weg had gelegen om, juist vanwege zijn betrokkenheid bij de zaak, iedere schijn van bevoordeling van familieleden te vermijden.
6.2.7. [
appellant] maakt gebruik van het perceel [adres 3]. Zijn echtgenote heeft voor dit perceel in mei 2021 de huurovereenkomst gesloten. Aan de huur van [adres 3] is de voorwaarde verbonden dat dit geheel dienstbaar gemaakt wordt voor landbouw/veeteelt/kleinvee. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan deze voorwaarde is voldaan. Dat de huurovereenkomst op naam van zijn echtgenote staat maakt niet dat op [appellant] niet de plicht rust het gehuurde perceel in overeenstemming met de voorwaarden te gebruiken.
Heeft [appellant] valsheid in geschrifte gepleegd?
6.3.1.
De Raad begrijpt de gouverneur ten aanzien van deze verweten gedraging aldus dat [appellant] in het kader van de aanvraag van het betrokken familielid om uitgifte van het erfpachtperceel [adres 2] in strijd met de waarheid een formulier heeft ingevuld. Het gaat om het formulier, “Procedure bij toewijzing erfpachtaanvraag” van 3 september 2007. Daarop heeft [appellant] een kruisje gezet in het vakje vóór de vraag of er bewijs van inschrijving (van het familielid) uit het bevolkingsregister bij de Dienst Domeinbeheer is overgelegd. Bij de optie ja/nee en bij de datum in deze vraag heeft [appellant] echter niets aangekruist of ingevuld.
6.3.2.
Anders dan het Gerecht ziet de Raad niet in dat [appellant] met het zetten van het bedoelde kruisje in strijd met de waarheid heeft verklaard dat het gevraagde bewijs van inschrijving is overgelegd. Dat hij heeft verzuimd op het formulier aan te kruisen dat er geen bewijs van inschrijving kon worden overgelegd, maakt nog niet dat hij in strijd met de waarheid heeft verklaard. Hoogstens kan hem worden verweten dat hij daarmee het risico heeft genomen dat die schijn zou (blijven) bestaan.
6.3.3.
Dit betekent dat de Raad de gouverneur niet volgt in zijn standpunt dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, valsheid in geschrifte.
Conclusie over het plichtsverzuim
6.4.
Gelet op het voorgaande is de Raad met het Gerecht van oordeel dat [appellant] zich met de hem vastgestelde verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling dan wel aan het misbruik maken van zijn bevoegdheden die hij als medewerker bij DIP had. Hij heeft daarmee gehandeld in strijd met de eisen van betrouwbaarheid en integriteit die aan de ambtenaren van de DIP worden gesteld. Verder heeft [appellant] zich naar het oordeel van de Raad ook schuldig gemaakt aan de hem verweten gedragingen die betrekking hebben op zijn handelen, in strijd met wet- en regelgeving.
Is het plichtsverzuim [appellant] toe te rekenen?
6.5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak: ECLI:NL:ORBAACM:2022:7, volgt dat bij de vraag naar de toerekenbaarheid van plichtsverzuim het van belang is dat de betrokken ambtenaar ten tijde van de verweten gedraging in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien. Ook moet hij in staat zijn geweest overeenkomstig dat inzicht te handelen. Verder ligt het op de weg van een betrokkene om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend.
6.5.2.
De Raad oordeelt met het Gerecht dat [appellant] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Het is de Raad niet gebleken dat de cultuur binnen DIP [appellant] belemmerde om als een integer ambtenaar te functioneren. Ook als de cultuur zo is geweest dat ook anderen zich aan de [appellant] verweten gedragingen schuldig hebben gemaakt, zoals [appellant] stelt, ontsloeg dat [appellant] niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om zich te onthouden van die gedragingen. Dat hij gelet op zijn functie bij DIP niet bevoegd was uiteindelijk de beslissing te nemen op verzoeken maakt dit niet anders. Dit is immers niet de kern van de hem verweten gedragingen, maar juist zijn betrokkenheid bij het indienen en/of het in behandeling nemen en voorbereiden van besluitvorming op die verzoeken wordt hem verweten.
Is het onvoorwaardelijke ontslag evenredig aan het plichtsverzuim?
7. Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim, de ernstige schending van de betrouwbaarheid en de integriteit van [appellant], is het opleggen van de disciplinaire sanctie van onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig. Dat de Raad de gouverneur niet volgt in zijn standpunt dat valsheid in geschrifte niet als plichtsverzuim aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegd kan worden, maakt het niet anders.
Conclusie
8. De slotsom is dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig, hem toe te rekenen plichtsverzuim en dat het ontslag niet onevenredig is. Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat ook de Raad niet toekomt aan een beoordeling van de subsidiaire ontslaggrond. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen, gelet op overwegingen 6.3.1 en 6.3.2, met verbetering van gronden.
9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling van proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

De Raad van Beroep
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.E.B. de Haseth voorzitter, mr. A.H.M. van de Leur en mr. J. Sybesma, leden en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.vertaling: “Orde en Welvaart, een nieuw beleid voor uitgifte van terreinen”
2.vertaling: De criteria waaraan personen moeten voldoen om in aanmerking te komen om een stuk grond in erfpacht te verkrijgen zijn als volgt: (…) 4. de persoon moet woonachtig zijn op Aruba en meerderjarig zijn.