5.2.Artikel 31, vierde lid, Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (Lvvda) bepaalt dat gedurende een vrijstelling van dienst wegens ziekte de ambtenaar aanspraak heeft op een inkomen naar reden van:
I. voor een ambtenaar in vaste dienst:
a. zijn vol inkomen gedurende de eerste vierentwintig maanden;
b. negentig ten honderd van zijn vol inkomen gedurende de daaropvolgende twaalf maanden;
c. tachtig ten honderd van zijn vol inkomen gedurende de resterende maanden.
Uit bovenstaande wettelijke bepaling volgt dat een loonkorting moet worden toegepast indien aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet een ambtenaar ziek zijn. En ten tweede moet die ziekte twee jaar onafgebroken hebben geduurd. De Raad gaat hieronder in op de vraag of in het geval van [appellant] aan die voorwaarden is voldaan.
Is [appellant] ziek en arbeidsongeschikt?
5.2.1.De Raad volgt niet het betoog van [appellant] dat hij op de dagen of dagdelen dat hij niet kan werken vanwege verplichte rust na een oogbehandeling niet ziek zou zijn.
Arbeidsongeschikt is hij die door ziekte of gebreken buiten staat is de opgedragen werkzaamheden te verrichten. [appellant] is elke twee weken een of enkele dagen om medische redenen, namelijk verplichte rust voorgeschreven door zijn oogarts, buiten staat zijn dienst te verrichten en daarmee arbeidsongeschikt wegens ziekte.
Is [appellant] twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt?
5.2.2Gelet op de overgelegde overzichten van dagen waarop [appellant] niet heeft kunnen werken, is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht vastgesteld op 20 mei 2022. Op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Lvvda wordt een opnieuw ingetreden verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte voor het bepalen van de in het tweede en vierde lid genoemde termijnen als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet, nadat ten minste dertig kalenderdagen zijn verstreken, sedert de ambtenaar zijn dienst volledig heeft hervat.
5.2.3. [Appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt en evenmin is gebleken dat hij sinds zijn uitval op 20 mei 2022 zijn dienst voor ten minste dertig aaneengesloten dagen heeft hervat. Dit volgt uit het door geïntimeerden overgelegde overzicht van verzuim door [appellant] in de periode van 19 april 2022 tot en met 31 maart 2025. Dat betekent dat hij wordt geacht sinds 20 mei 2022 doorlopend arbeidsongeschikt te zijn geweest. Dat hij in die twee jaar op veel dagen heeft gewerkt, doet daar niet aan af. Hieruit volgt dat geïntimeerden terecht hebben vastgesteld dat [appellant] op 20 mei 2024 gedurende twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt was.
Kon een loonkorting worden toegepast?
5.3.1.Omdat aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan, [appellant] heeft vrijstelling van dienst wegens ziekte sinds 20 mei 2022 en is sindsdien twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt, volgt uit de hiervoor aangehaalde bepaling dat [appellant] per 20 mei 2024 aanspraak heeft op 90% van zijn salaris en per 20 mei 2025 op 80% van zijn salaris, en dus niet langer op zijn volledige inkomen. Deze in omvang beperkte aanspraak op inkomen volgt rechtstreeks uit de wet.
5.3.2.Handelend namens de Gouverneur had de Directeur DRH dus per mei 2024 tot mei 2025 op het salaris van [appellant] een loonkorting van 10% mogen toepassen. Per mei 2025 mocht een loonkorting van 20% worden toegepast.Voor zover het bezwaar van [appellant] is gericht tegen de inhouding van 10% op zijn salaris van april 2025 slaagt het niet.
Terugvordering en invordering
5.4.1.In de brief van 2 april 2025 is – naast de inhouding van de hiervoor genoemde 10% loonkorting - ook aangekondigd dat zal worden overgegaan tot terugvordering van het te veel ontvangen salaris van [appellant] over de periode van 20 mei 2024 tot 1 april 2025. Ook het hiermee gemoeide bedrag zal in de maand april 2025 in het payroll-systeem worden uitgevoerd, zo valt in de brief te lezen.
5.4.2.De Raad stelt vast dat de Directeur DRH met het toepassen van de korting van 10% heeft gewacht tot de maand april 2025, dus bijna een jaar na mei 2024. Dat zo lang is gewacht met het toepassen van de loonkorting heeft tot gevolg dat het bedrag dat aan [appellant] onverschuldigd is betaald onnodig is opgelopen. Het totaal terug te vorderen bedrag omdat niet tijdig is overgegaan tot toepassing van de korting van 10% is volgens geïntimeerden opgelopen tot Afl. 3.519,76.
5.4.3.Uit de stukken leidt de Raad af dat op het salaris van [appellant] met ingang van juli 2025 ook bedragen zijn ingehouden bij wijze van terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald door het niet tijdig, per mei 2024 toepassen van de loonkorting van 10%. Uit de salarisstrook van oktober 2025 volgt dat, naast de inhouding in verband met de loonkorting van 10% ook Afl. 292.- is ingehouden in verband met de terugvordering van teveel betaald salaris.
5.4.4.Anders dan bij de hiervoor besproken loonkorting geldt voor terugvordering van het salaris dat onverschuldigd is betaald dat daarover eerst door het bevoegd gezag een beslissing moet worden genomen alvorens tot invordering mag worden overgegaan. Dat de Directeur DRH bevoegd is te beslissen over terugvordering is gesteld noch gebleken. De Gouverneur komt die bevoegdheid wel toe. Het is dan ook aan de Gouverneur om hierover een beslissing te nemen. De Gouverneur heeft daarover echter (nog) niet beslist. Dat betekent dat de bestreden beschikking in zoverre onbevoegd is genomen en voor vernietiging in aanmerking komt. Hierom is de Gouverneur, naast de Directeur DRH, als partij vermeld in deze procedure.
5.5.1.Het hoger beroep van [appellant] slaagt. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Gerecht moet worden vernietigd. Wat betreft de loonkorting komt de Raad tot de slotsom dat op het salaris van [appellant] per 20 mei 2024 een korting van 10% had mogen worden toegepast. Omdat de korting van 10% pas is toegepast ingaande april 2025 is over de periode van april 2024 tot en met maart 2025 teveel salaris aan [appellant] uitbetaald. De inhouding in verband met de loonkorting over de maand april 2025 is terecht gebeurd. De overige inhoudingen bij wijze van terugvordering van het salaris dat over de maanden april 2024 tot en met maart 2025 ten onrechte aan [appellant] is betaald, zijn ten onrechte geschied.
5.5.2.Uit het vorenstaande mag niet worden afgeleid dat terugvordering van het teveel betaalde salaris niet mogelijk zou zijn. Het totaalbedrag dat aan [appellant] teveel en onverschuldigd is betaald mag in beginsel worden teruggevorderd. Daarvoor is echter een beslissing nodig van de Gouverneur als bevoegd gezag. Die beslissing ontbreekt vooralsnog.
5.5.3.Bij zijn eventuele beslissing over de terugvordering dient de Gouverneur te betrekken dat uit de overgelegde besluitenlijst van de ministerraad van 27 augustus 2025 blijkt, dat die Raad niet heeft ingestemd met het voorstel om het teveel betaalde salaris van [appellant] terug te vorderen, ‘aangezien het teveel betaalde bedrag niet aan de betrokkene is toe te rekenen.’ Pas nadat door de Gouverneur een beslissing is genomen over de terugvordering kan tot invordering worden overgegaan, bijvoorbeeld door inhouding van bedragen op het maandelijkse salaris van [appellant]. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de betalingscapaciteit van [appellant]. Zo nodig dient een afbetalingsregeling te worden getroffen.
5.5.4.De Raad kan zich voorstellen dat de Directeur DRH met [appellant] om de tafel gaat om te bespreken waar hij recht op heeft, wat ten onrechte is ingehouden, wat terecht is ingehouden en welke inhoudingen voor de resterende maanden zullen worden toegepast. Indien de Gouverneur een beslissing heeft genomen over (onder andere) de terugvordering kan tevens worden besproken welk bedrag moet worden terugbetaald en of een eventuele betalingsregeling moet worden getroffen.
Het verzoek om een voorziening bij voorraad
6. Omdat de Raad op zowel het hoger beroep als het bezwaar beslist, is er geen aanleiding voor de Voorzitter om een voorziening te treffen. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
7. De Raad ziet aanleiding voor vergoeding van de proceskosten van [appellant] in zowel het bezwaar als in hoger beroep, tot een totaal bedrag van Afl. 2.800.-, (1 punt voor indienen van bezwaarschrift en het beroepschrift, 1 punt voor verschijnen ter zitting bij het Gerecht en de Raad, met een waarde per punt van Af. 700,- en wegingsfactor 1) te betalen door het Land Aruba aan [appellant].