ECLI:NL:ORBAACM:2025:29

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
CUR2024H00125
Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 135 RArPensioenlandsverordening overheidsdienarenTijdelijke regeling vrijstelling van dienst ambtenaren en werknemers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening pensioenbesluit ambtenaar Curaçao

Het verzoek tot herziening betreft een uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken over een pensioenwijzigingsbesluit van het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao (APC) betreffende de vut-uitkering, duurtetoeslag en pensioengrondslag van een ambtenaar.

De Raad heeft vastgesteld dat de aangevoerde nieuwe feiten, waaronder wetswijzigingen en memorie van toelichting, al lang bekend waren en onderdeel hadden kunnen zijn van het eerdere hoger beroep. Het verzoeker kon deze feiten dus niet als nieuw aanmerken.

De Raad benadrukt dat het herzieningsverzoek niet bedoeld is om het geschil opnieuw te behandelen of reeds aangevoerde argumenten opnieuw te presenteren. Omdat geen nieuwe omstandigheden zijn die ernstige twijfel aan de eerdere uitspraak doen ontstaan, wordt het verzoek afgewezen.

Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gewezen door drie raadsleden en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten die ernstige twijfel aan de uitspraak doen ontstaan.

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURAҪAO
Uitspraak
op het verzoek om herziening van de uitspraak
van de Raad van 28 februari 2024, CUR2023H00261,
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te Curaçao,
verzoeker (hierna: [verzoeker]),
en
het bestuur van het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao,
(hierna: APC),
gemachtigde: mr. L.M. Virginia, advocaat
Procesverloop
1. APC heeft met het besluit van 21 augustus 2020 de hoogte van de pensioenbetalingen aan [verzoeker] gewijzigd (wijzigingsbesluit). Dit had onder andere te maken met het gewijzigd standpunt van de APC over het recht van [verzoeker] op een vut-uitkering, op duurtetoeslag en op de berekening van zijn pensioengrondslag in verband met de periode dat hij lid was van de Eilandsraad. Met het besluit van 19 augustus 2020 heeft APC van [verzoeker] vut-uitkering teruggevorderd en verrekend met zijn pensioenbetalingen (terugvorderingsbesluit). Tegen beide besluiten heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.
1.1. APC heeft met de beslissing op bezwaar van 21 juli 2021 (bestreden besluit) de bezwaren van [verzoeker] tegen het wijzigingsbesluit en het terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard. Hiertegen heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
1.2. Het Gerecht heeft met de uitspraak van 30 augustus 2023, CUR202102254, het beroep van [verzoeker] tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Het APC heeft hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld.
1.3. Met de uitspraak van 28 februari 2024 heeft de Raad – voor zover hier van belang - de uitspraak van het Gerecht vernietigd, het beroep van [verzoeker] tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dit ziet op de terugvordering en verrekening van de vut-uitkering. De Raad heeft APC opgedragen een nieuw terugvorderingsbesluit te nemen.
1.4. Op 21 mei 2024 heeft [verzoeker] de Raad verzocht de uitspraak van de Raad van 28 februari 2024 te herzien (herzieningsverzoek).
1.5. De Raad heeft het herzieningsverzoek behandeld op de zitting van 24 oktober 2025. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn adviseur, M. J. Bernadina.
APC heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. A. Juliana.

2.Beoordelingskader

2.1.
In de Regeling ambtenarenrechtspraak (RAr) is een regeling van de herziening van uitspraken van de ambtenarenrechter opgenomen.
2.2.
Op grond van artikel 135, eerste lid, van de RAr is ieder die partij was in een geding, bevoegd, binnen drie maanden nadat van enige omstandigheid als in het tweede lid bedoeld is gebleken, de herziening van een onherroepelijke of onherroepelijk geworden uitspraak te verzoeken. In het tweede lid is bepaald dat de herziening wordt verzocht op de grond dat gebleken is van enige omstandigheid
die bij de behandeling van het hoger beroep aan de Raad niet bekend was en die op zich zelf of in verband met andere feiten of omstandigheden ernstige twijfel doet ontstaan aan de juistheid van de uitspraak van de Raad.
2.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 16 december 2020, ECLI:NL:ORBAACM:2020:31) is het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld om het geschil waarover is beslist bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, opnieuw aan de Raad voor te leggen. Herziening is ook niet bedoeld om een partij in de gelegenheid te stellen om argumenten die verzoeker in hoger beroep bij de Raad naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen, opnieuw of alsnog naar voren te brengen om zodoende het debat te heropenen.
2.4.
Gelet op het hiervoor geschetste kader dient in de eerste plaats te worden vastgesteld of sprake is van enige omstandigheid die bij de behandeling van het hoger beroep aan de Raad niet bekend was of bekend kon zijn. Daarbij moet het gaan om feiten of omstandigheden die de Raad niet bij zijn eerdere beoordeling heeft kunnen betrekken.

3.3. De omvang van het geding

3.1.
De Raad stelt vast dat in de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht drie geschilpunten zijn besproken. In het herzieningsverzoek wordt ingegaan op twee van de drie geschilpunten. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de Raad voor wat betreft het oordeel over zijn recht op een duurtetoeslag en de gewijzigde pensioengrondslag in verband met zijn diensttijd als lid van de Eilandsraad niet juist is. De Raad gaat hierna in op deze twee geschilpunten.

4.Duurtetoeslag

4.1.
Volgens [verzoeker] heeft de Raad bij zijn oordeel over de duurtetoeslag het verkeerde wettelijk kader toegepast. De Raad heeft niet onderkend dat de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren (Pvlo) per 1 januari 2002 is gewijzigd en dat artikel 101, vierde lid, Pvlo per die datum is vervallen, waardoor [verzoeker] op grond van het eerste lid van artikel 101 het Pro recht op duurtetoeslag heeft behouden. Volgens [verzoeker] gaat het om een nieuw gebleken feit dat tijdens de rechtszaak niet naar voren is gekomen en dat hem pas duidelijk is geworden bij lezing van de uitspraak van 28 februari 2024.
4.2.
De Raad volgt [verzoeker] niet. De Raad heeft in de uitspraak van 28 februari 2024 het recht op duurtetoeslag van [verzoeker] op grond van het volgens de Raad toepasselijke wettelijk kader beoordeeld. De wetswijziging waarop [verzoeker] doelt heeft plaatsgevonden op 1 januari 2002, dat wil zeggen ruim twintig jaar geleden. Die wetswijziging kan daarom niet worden aangemerkt als enige omstandigheid die bij de behandeling van het hoger beroep aan de Raad niet bekend was of bekend kon zijn. Dat [verzoeker] meent dat de Raad de wet verkeerd heeft toegepast en dat hij daarvan pas kennis nam bij lezing van de uitspraak maakt dit niet anders.

5.5. Diensttijd van [verzoeker] als lid van de Eilandsraad

5.1.
Over de gewijzigde pensioengrondslag in verband met de periode dat [verzoeker] lid was van de eilandsraad heeft [verzoeker] aangevoerd dat de Raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met -kort gezegd- een speciale regeling voor gezagsdragers. [verzoeker] stelt dat de Tijdelijke regeling vrijstelling van dienst ambtenaren en werknemers, die speciaal is opgesteld ten behoeve van een overheidsdienaar die tevens lid was van de Eilandsraad, als lex specialis voorrang heeft boven de Pvlo, die voor alle overheidsdienaren geldt. Als novum en tevens grondslag voor het verzoek om herziening wijst [verzoeker] op de Memorie van Toelichting bij het ontwerp landsverordening van de Tijdelijke regeling vrijstelling van dienst ambtenaren en werknemers, waarin uitdrukkelijk een onderscheid wordt gemaakt tussen de actieve overheidsdienaar met bijzondere vrijstelling van dienst enerzijds, waaronder [verzoeker], en de op non-actief gestelde ambtenaar anderzijds. Dit heeft de Raad volgens [verzoeker] niet onderkend.
5.2.
De Raad stelt vast dat de Tijdelijke regeling vrijstelling van dienst ambtenaren en werknemers op 28 november 1997 is vastgesteld. De Memorie van Toelichting bij het ontwerp van deze landsverordening is eveneens uit de jaren negentig. Dat wat daarin is verwoord had onderdeel kunnen uitmaken van het debat tussen partijen in de procedure bij de Raad die heeft geleid tot de uitspraak van 28 februari 2024. Het is dus niet een omstandigheid die bij de behandeling van het hoger beroep aan de Raad niet bekend was of bekend kon zijn.

6.Slotsom

6.1.
De Raad komt tot de slotsom dat geen sprake is van enige omstandigheid die bij de behandeling van het hoger beroep aan de Raad niet bekend was of bekend kon zijn als bedoeld in artikel 135 RAr Pro. De Raad komt daarom niet toe aan bespreking van de voor herziening eveneens geldende voorwaarde dat de gestelde nieuw gebleken feiten op zich zelf of in verband met andere feiten of omstandigheden ernstige twijfel doen ontstaan aan de juistheid van de uitspraak van de Raad van 28 februari 2024.
6.2.
Het herzieningsverzoek moet worden afwezen.
6.3.
Voor een vergoeding van proceskosten is geen aanleiding.
Beslissing
De Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 februari 2024, CUR2023H00261, af.
Deze uitspraak is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. M.G.M. Schwengle , leden, en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.