Appellant, werkzaam als alimentatiebemiddelaar bij de Directie Voogdijraad, kreeg een schriftelijke berisping opgelegd wegens ongeoorloofde afwezigheid in juli 2022. Hij diende een bezwaarschrift in tegen deze disciplinaire maatregel, maar dit werd buiten de wettelijke termijn ingediend. Appellant had het bezwaarschrift op de laatste dag van de termijn per e-mail naar een oud, niet-functionerend adres gestuurd en pas later fysiek ingediend.
Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de termijn van dertig dagen, vastgesteld vanaf de dag van ontvangst van het besluit. Appellant stelde in hoger beroep dat hij door verblijf in het buitenland niet eerder kon indienen, maar de Raad oordeelde dat hij redelijkerwijs in staat was het bezwaarschrift tijdig in te dienen, aangezien hij vóór vertrek naar het buitenland het bezwaar fysiek had kunnen indienen.
De Raad benadrukte dat het risico van het gebruik van een verkeerd e-mailadres bij appellant ligt en dat het feit dat de griffie later alsnog een fysieke indiening toestond, de termijn niet verlengt. De omstandigheden van appellant boden onvoldoende reden om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.