ECLI:NL:ORBAACM:2021:50

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 augustus 2021
Publicatiedatum
15 september 2021
Zaaknummer
AUA2018H00019
Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Bra 1986
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bevordering wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en anciënniteitseis

Appellante, werkzaam als ambtenaar bij het Land Aruba, verzocht om bevordering naar de rang van hoofdklerk (schaal 5) per 1 juni 2012. Dit verzoek werd door geïntimeerde afgewezen vanwege haar langdurige arbeidsongeschiktheid en het niet voldoen aan de anciënniteitseis van vier jaar volgens de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (Bra 1986).

Het Gerecht verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat haar functie een carrièrefunctie is, waarbij zij de carrièrelijn moet doorlopen en niet direct kan worden bevorderd naar schaal 7. Appellante was in de relevante periode 626 dagen arbeidsongeschikt, waardoor geïntimeerde het functioneren niet redelijkerwijs kon beoordelen.

In hoger beroep voerde appellante aan dat haar ziektedagen door nalatig handelen van geïntimeerde waren toegenomen en dat voor haar functie een kortere anciënniteitseis van drie jaar zou gelden. De Raad oordeelde echter dat de functie niet benoemd is en dat de anciënniteitseis van vier jaar van toepassing is. Tevens was de arbeidsongeschiktheid het gevolg van een geweldsdelict, en was er geen zicht op herstel in de relevante periode.

De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak juist is en bevestigde deze, waarbij ook werd geoordeeld dat er geen aanleiding is voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het bevorderingsverzoek bevestigd.

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA

Op het hoger beroep van:

[appellante],

wonend in Aruba,
appellante,
gemachtigde: [naam gemachtigde]
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van
8 januari 2018, AUA201701395 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellante
en

de Gouverneur van Aruba,

geïntimeerde,
gemachtigde: mr. K. Veekmans, werkzaam bij het Departamento Recurso Humano

Procesverloop

Bij beschikking van 12 juni 2017 (bestreden beschikking) heeft geïntimeerde het verzoek van appellante om bevordering naar de rang van hoofdklerk (schaal 5) afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellante tegen de bestreden beschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.
Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de Raad hebben beide partijen erin toegestemd dat de Raad dit hoger beroep - in verband met covid-19-omstandigheden - behandelt en afdoet zonder de zaak op een openbare zitting te behandelen. In verband daarmee heeft appellante gebruik gemaakt van de partijen geboden gelegenheid een pleitnotitie (met bijlagen) in te dienen. Van de hem geboden gelegenheid op de pleitnotitie te reageren heeft geïntimeerde geen gebruik gemaakt.
De Raad heeft de zaak mede op basis van de nadere stukken beoordeeld.

Overwegingen

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is op 1 juni 2004 als ambtenaar in dienst getreden van het Land Aruba (land) in de rang van klerk (schaal 3). Benoeming in vaste dienst is gevolgd per 1 november 2005 en met ingang van 1 juni 2008 is appellante bevorderd naar de rang van klerk 1ste klasse (schaal 4). Op dat moment bekleedde appellante de functie van kassier 1 bij de Servicio di Impuesto y Aduana (SAID). Per 1 januari 2013 is de SAID overgegaan in het Departamento di Impuesto (DIMP).
1.2.
Met ingang van 28 maart 2011 is appellante arbeidsongeschikt gemeld. Bij Landsbesluit van 18 juli 2013 is aan haar vrijstelling van dienst verleend wegens ziekte, in het bijzonder wegens verblijf in Nederland voor revalidatie. Bij dat Landsbesluit is per 29 maart 2013 haar inkomen voor de duur van een jaar aangepast naar 90% van een vol inkomen en per 29 maart 2014 naar 80% van een vol inkomen.
1.3.
Met een brief van 4 september 2015 heeft appellante onder meer verzocht om bevordering naar de rang van hoofdklerk (schaal 5) per 1 juni 2012.
1.4.
Geïntimeerde heeft bij de bestreden beschikking dit verzoek afgewezen, omdat volgens het beleid inzake bevordering bij arbeidsongeschiktheid het bevorderingsmoment wordt vertraagd en appellante voor een langdurige periode arbeidsongeschikt is geweest, zodat ze ook niet voldoet aan het bevorderingsvereiste van een gunstige beoordeling. Pas na hervatting van haar werkzaamheden kan de verdere carrièrelijn van appellante worden uitgestippeld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellante tegen de bestreden beschikking ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de door appellante beklede functie geen benoemde functie is, maar een carrièrefunctie die maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 7. De Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (Bra 1986) staat een onmiddellijke bevordering naar schaal 7 niet toe. Appellante moet haar carrière in de functie doorlopen en steeds naar een volgende rang toegroeien, totdat zij de maximale waardering van de functie bereikt. Verder heeft het Gerecht vastgesteld dat appellante van de vier jaar die zij in de rang van klerk 1ste klasse moest doorbrengen (van 1 juni 2008 tot en met 31 mei 2012) in totaal 626 dagen arbeidsongeschikt was. Onder deze omstandigheden kan volgens het Gerecht niet worden gezegd dat geïntimeerde zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij het functioneren van appellante niet heeft kunnen beoordelen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep onder meer, kort samengevat, aangevoerd dat het aantal ziektedagen van appellante in de jaren 2008 tot en met 2011 door nalatig handelen van geïntimeerde is toegenomen en dat appellante zelf heeft verzocht om haar in actieve dienst te herstellen. Verder heeft appellante aangevoerd dat de functie van kassier 1 sinds 1985 een benoemingsfunctie is en dat geïntimeerde voor appellante een anciënniteitsvereiste van drie jaar moet toepassen, zoals geïntimeerde dat stelselmatig toepast voor de functie van kassier 1.
3.2.
Geïntimeerde heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Geen van de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden hebben de Raad tot het oordeel kunnen brengen dat de aangevallen uitspraak niet juist is. Benoemde functies zijn de functies genoemd in bijlage A bij het Bra 1986. Geïntimeerde heeft overtuigend aangetoond dat de in bijlage A in hoofdschaal 7 genoemde functie van Kassier ten Ontvangerskantore niet de door appellante beklede functie van kassier 1 is. Die door appellante beklede functie van kassier 1 met een maximale functiewaardering van schaal 7 komt niet voor in bijlage A bij het Bra 1986. Appellante heeft overigens ook geen bezwaar gemaakt tegen haar inschaling in schaal 3 bij indiensttreding en ook niet tegen haar bevordering naar schaal 4 per 1 juni 2008. Per 1 juni 2008 is appellante bevorderd naar de rang van klerk 1ste klasse en op grond van het Bra 1986 geldt voor bevordering naar de naasthogere rang van hoofdklerk (schaal 5) een anciënniteitseis van vier jaar. De door appellante in geding gebrachte stukken waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat geïntimeerde stelselmatig een anciënniteitseis van drie jaar zou toepassen voor de functie van kassier 1 hebben de Raad niet overtuigd.
4.2.
Onweersproken staat vast dat appellante in de periode van vier jaar na de bevordering tot klerk 1ste klasse in totaal 626 dagen arbeidsongeschikt is geweest. Appellante heeft haar stelling dat het aantal ziektedagen in die periode door nalatig handelen van geïntimeerde is toegenomen niet onderbouwd. Appellante is in maart 2011 arbeidsongeschikt geworden, omdat zij slachtoffer was van een geweldsdelict dat tot zeer ernstige verwondingen heeft geleid. In de periode van maart 2011 tot juni 2012 was er geen enkel zicht op mogelijk herstel van appellante en dus kan geïntimeerde ook niet worden verweten dat appellante in die periode arbeidsongeschikt is gebleven. Appellante heeft op enig moment gevraagd om weer in actieve dienst hersteld te worden, maar dat gebeurde pas in 2016. Het standpunt van het Gerecht dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat geïntimeerde zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij het functioneren van appellante niet heeft kunnen beoordelen wordt onderschreven.
4.3.
De slotsom luidt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mrs. M.C. Bruning voorzitter, W.H. Bel en
A.H.M. van de Leur, leden, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.